Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 20 juni 2001

Alinea 49 College van Beroep voor het bedrijfsleven 20 juni 2001

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 20 juni 2001, ECLI:NL:CBB:2001:AB2227.

De stelling van appellante dat het ontbreken van een schriftelijke machtiging niet tot niet-ontvankelijkverklaring mag leiden, omdat de machtiging niet essentieel zou zijn, volgt het College niet. Het is immers van wezenlijk belang dat vaststaat wie de indiener van een bezwaar is, onder meer om te kunnen vaststellen of deze is aan te merken als belanghebbende die de bevoegdheid toekomt bezwaar te maken. De weg bij uitstek om te kunnen bepalen dat een bezwaar inderdaad afkomstig is van degene namens wie beweerdelijk wordt opgetreden, is het verlangen van een schriftelijke machtiging van de beweerdelijk vertegenwoordigde, zoals voorzien in artikel 2:1, tweede lid, Awb. Het niet tijdig voldoen aan een verzoek om een dergelijke machtiging te verschaffen, is dan ook een verzuim dat verweerder van essentieel belang mag achten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fa87a507a50e5444f80f8474699a63da6f2756bf4b6f722f4c2a31d175a1c565. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fa87a507a50e5444f80f8474699a63da6f2756bf4b6f722f4c2a31d175a1c565, en de alinea staat in dat document op bytes 12480 tot 13325.