Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 18 april 2002

Alinea 20 College van Beroep voor het bedrijfsleven 18 april 2002

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 18 april 2002, ECLI:NL:CBB:2002:AE2368.

De wijze waarop verweerster de betrouwbaarheid van (kandidaat)bestuurders van effecteninstellingen beoordeelt, is neergelegd in de Beleidsregel inzake de betrouwbaarheidstoetsing van (kandidaat)(mede)beleidsbepalers van en houders van gekwalificeerde deelnemingen in onder toezicht staande instellingen (Staatscourant 2000, 78; hierna: de Beleidsregel). Volgens artikel 1 van de Beleidsregel wordt voor de toepassing van de toezichtswet - in dit geval de Wte 1995 - onder betrouwbaarheid verstaan het zich onthouden van één of meer gedragingen die naar het oordeel van de toezichthouder in de weg staan aan het vervullen van de functie van (mede)beleidsbepaler, tot welke gedragingen in ieder geval behoren gedragingen die blijk geven van het niet hebben van eigenschappen als waarheidslievendheid, verantwoordelijkheidszin, wetsgetrouwheid, openheid, oprechtheid, prudentie, punctualiteit, onkreukbaarheid, discretie en rechtschapenheid. Artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel bepaalt dat de beoordeling van de betrouwbaarheid geschiedt door op basis van voornemens, handelingen en antecedenten (in de Beleidsregel gezamenlijk aangeduid als antecedenten) te toetsen of betrokkene blijk geeft van zodanige gedragingen dat daardoor naar het oordeel van de toezichthouder diens betrouwbaarheid niet (meer) buiten twijfel staat. Het tweede lid van genoemd artikel 2 bepaalt dat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid acht wordt geslagen op onder meer strafrechtelijke antecedenten en overige antecedenten. Blijkens artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel concludeert de toezichthouder dat de betrouwbaarheid niet (meer) buiten twijfel staat indien naar zijn oordeel uit de - in de bijlagen van de Beleidsregel nader omschreven - antecedenten van betrokkene blijkt dat deze één of meer van de in artikel 1 bedoelde gedragingen heeft vertoond. Het tweede lid van genoemd artikel 3 schrijft voor dat de toezichthouder bij zijn oordeelsvorming in voorkomend geval het onderlinge verband tussen de aan een antecedent ten grondslag liggende gedraging(en) en de overige omstandigheden van het geval betrekt, alsook de belangen die de toezichtswet beoogt te beschermen en de overige belangen van de financiële instelling en betrokkene.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f1bd815f0d869dc58299dcae18d338a67a28902baf2431c8183c37b1b91fcdd0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f1bd815f0d869dc58299dcae18d338a67a28902baf2431c8183c37b1b91fcdd0, en de alinea staat in dat document op bytes 8429 tot 10681.