Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2002
Alinea 106 College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2002
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2002, ECLI:NL:CBB:2002:AF0388.
De gemeenteraad is ingevolge de Wet bevoegd - door geen verordening vast te stellen - het vestigen van een speelautomatenhal in zijn geheel verboden te laten. Indien de raad er echter voor kiest speelautomatenhallen toe te staan, kan hij vervolgens bij verordening regels stellen met betrekking tot onder meer het aantal en de plaats van de toe te laten hal(len). Weliswaar speelt bij de door de raad vast te stellen verordening het tegengaan van gokverslaving tegenover het belang van de kanalisatie van de aanwezige speelbehoefte een rol, maar voormelde belangen zijn niet exclusief. Bij het vaststellen van de algemene regels moet een veel ruimere kring van belangen worden betrokken, waaronder de belangen bij een adequaat toezicht en effectieve handhaving, alsmede de in artikel 30 e van de Wet genoemde belangen. Deze belangen hebben voor de gemeenteraad bij de vaststelling van de Verordening, inclusief de gebiedsbeperking, ook alle een rol gespeeld. De stelling van appellanten dat de in artikel 30 e, tweede lid, van de Wet genoemde belangen slechts in het kader van de vergunningverlening door de burgemeester een rol zouden mogen spelen, faalt. Dit artikellid geeft aan de burgemeester een aanvullende weigeringsbevoegdheid, indien hij een aanvraag tot het aanwezig hebben van speelautomaten niet reeds moet afwijzen op de in het eerste lid van dit artikel vermelde gronden, en is met name van belang voor het reguleren van de aanwezigheid van speelautomaten in hoog- en laagdrempelige inrichtingen. Voor hallen ligt dit echter anders; dienaangaande kan de gemeenteraad in de vorm van een algemene regeling bepalen of, en zo ja, voor welke delen van de gemeente vestiging van een speelautomatenhal toelaatbaar wordt geacht. Verweerders achten het ondenkbaar dat voor de gemeenteraad bij de vaststelling van de Verordening de in artikel 30 e, tweede lid, van de Wet genoemde belangen geen rol zouden (hebben) mogen spelen. De hiertoe strekkende stelling van appellanten zou immers leiden tot het ongewenste resultaat dat de burgemeester, ondanks zijn vrees voor ernstig gevaar van de openbare orde, op grond van artikel 30c, eerste lid en onder c, van de Wet een vergunning tot het houden van een speelautomatenhal niet zou kunnen weigeren, terwijl hij al weet dat hij voor de aanwezigheid van speelautomaten in die hal op grond van artikel 30 e, tweede lid, van de Wet om die reden geen vergunning zal kunnen verlenen. Verweerders komen op grond van het vorenstaande tot de slotsom dat bij de vaststelling van - het gebied in - de Verordening noch van détournement de pouvoir noch van détournement de procedure sprake is geweest. Overigens achten verweerders het goed verdedigbaar dat de in artikel 30c, eerste lid en onder c, van de Wet bedoelde verordening geen medebewinds- is, maar een autonome verordening is. Als het College dit standpunt deelt ontvalt de grondslag aan het aan het specialiteitsbeginsel ontleende betoog van appellanten.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1ff7c5113aafbfb984a8ac2e5248a103d2e9e6cd40f3e0b14b5a24ff28ab3ada. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1ff7c5113aafbfb984a8ac2e5248a103d2e9e6cd40f3e0b14b5a24ff28ab3ada, en de alinea staat in dat document op bytes 37390 tot 40361.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1ff7c5113aafbfb984a8ac2e5248a103d2e9e6cd40f3e0b14b5a24ff28ab3ada | shasum -a 256