Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 28 maart 2003

Alinea 105 College van Beroep voor het bedrijfsleven 28 maart 2003

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 28 maart 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AF7150.

Het College is niet bekend met het bestaan van een rechtens geldende hoofdregel dat vertrouwelijke bedrijfsgegevens door niemand kunnen worden ingezien. Appellante heeft ook geen specifieke jurisprudentie vermeld waaruit het bestaan van zodanige hoofdregel zou kunnen worden afgeleid. De enkele algemene opmerking dat uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat artikel 8 EVRM met zich brengt dat burgers (en tevens ondernemingen) verschoond dienen te blijven van inmenging door de overheid is onvoldoende om het bestaan van een hoofdregel als door appellant bepleit te onderbouwen. De verwijzing naar de uitspraak van de president van de Rechtbank te 's-Gravenhage overtuigt al evenmin. Voor zover appellante bedoeld zou hebben te verwijzen naar de uitspraken van bedoeld Hof in de zaken van 16 december 1992 (Niemetz vs Duitsland), 30 maart 1989 (Chappel vs Engeland) en 14 april 2002 (Colas Est vs Frankrijk) dient te worden opgemerkt dat blijkens deze arresten en met name blijkens het arrest van 14 april 2002 (rechts)personen aan artikel 8 EVRM onder omstandigheden bescherming kunnen ontlenen tegen het binnentreden van bedrijfsruimten, maar dat in deze arresten geen aanknopingspunt is te vinden dat artikel 8 EVRM reeds thans in het geval van het opvragen van inlichtingen aan bedrijven, waarbij binnentreden van bedrijfsruimten geen enkele rol speelt, de door appellante bepleite bescherming biedt. Deze arresten kunnen evenmin de conclusie dragen dat artikel 7, eerste lid, van de E-wet 1998 strikt dient te worden geïnterpreteerd. Aan de omstandigheid dat ingevolge artikel 7, tweede lid, van de E-wet 1998 de om inlichtingen gevraagden verplicht zijn de medewerking te geven die de directeur Dte redelijkerwijs kan vorderen, kan al evenmin een argument ontleend worden dat het eerste lid van dit artikel strikt dient te worden uitgelegd nu in dit tweede lid tevens is bepaald dat alle medewerking dient te worden gegeven. Naar het oordeel van het College dient de interpretatie van dit artikel gerelateerd te worden aan de desbetreffende taken van de directeur Dte in de E-wet 1998. Zijn deze taken ruim geformuleerd zoals in artikel 36 van de E-wet 1998, dan dient de interpretatie ook ruim te geschieden. Gaat het om wetgevende taken dan is een ruime interpretatie in ieder geval voor de hand liggend, omdat in geval van zodanige taak inlichtingen noodzakelijk zijn met het oog op de nog door de directeur Dte te maken keuze uit verschillende oplossingsrichtingen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/922d2e28dd5400406e21878f171c8e19157255ec8c75f683c147045647d6d75b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 922d2e28dd5400406e21878f171c8e19157255ec8c75f683c147045647d6d75b, en de alinea staat in dat document op bytes 32270 tot 34801.