Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 24 juni 2003
Alinea 157 College van Beroep voor het bedrijfsleven 24 juni 2003
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 24 juni 2003, ECLI:NL:CBB:2003:AH9136.
Bij de mkz-epidemie heeft verweerder, op grond van afwegingen die in verband staan met de zeer aanzienlijke gevolgen van het voortduren van die epidemie voor de Nederlandse veehouderij, vanwege met name de exportbelemmeringen voor vee(houderij-producten) die daaruit voortvloeiden, en het belang voor de Nederlandse economie in het algemeen dat de export van vee en vlees zo snel mogelijk ongehinderd zou kunnen worden hervat, zeer vergaande maatregelen ter bestrijding genomen. In de eerste plaats zijn, overeenkomstig de ter zake geldende communautaire richtlijn, de zieke en verdachte dieren op bedrijven waar een besmetting met het mkz-virus aan de hand van klinische verschijnselen werd vastgesteld, gedood. Ook zijn verdergaande maatregelen getroffen dan bedoelde richtlijn voorschrijft, in die zin dat de voor mkz vatbare dieren op bedrijven, gelegen op een - met het verloop van de epidemie - steeds groter wordende afstand, van soms meerdere kilometers, rondom besmette bedrijven, verdacht zijn verklaard en vervolgens op grond van die status zijn gedood. Bovendien is aan de Commissie toestemming gevraagd om, in afwijking van het in de Gemeenschap geldende vaccinatieverbod, in het kader van de bestrijding van de ziekte, tot vaccinatie te mogen overgaan. De aan de door de Commissie verleende toestemming verbonden voorwaarde dat alle gevaccineerde dieren zo spoedig mogelijk moeten worden gedood, heeft de Nederlandse overheid aanvaard. Hierbij moet worden bedacht dat het vaccineren van de hier bedoelde dieren, dat op last van verweerder plaatsvond, tot gevolg had dat verweerder de eerdere verdachtverklaringen van die dieren meende te moeten handhaven, omdat vanwege die vaccinatie het niet meer mogelijk was om - na verstrijken van de in het Besluit verdachte dieren genoemde periode die samenhangt met de incubatieperiode van het mkz-virus - uit het uitblijven van verschijnselen die op mkz duiden, af te leiden dat de verdenking geen grond (meer) had. Verweerder heeft vervolgens, op grond van zijn beoordeling van het risico dat - hoe gering de kans daarop ook was - zich onder de gevaccineerde dieren toch dieren zouden kunnen bevinden die, zonder daarvan verschijnselen te vertonen, het mkz-virus onder de leden zouden hebben en dat op hun nakomelingen zouden kunnen overdragen, bij welke dieren zulks weer tot een mkz-uitbraak zou kunnen leiden, besloten dat deze dieren, conform hetgeen de Commissie als voorwaarde voor de door Nederland gekozen vorm van vaccinatie had gesteld, gedood moesten worden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e90d65e849b02ca6309c0d480491b77fd0418e4a56637b6c2d5e836072fdff9f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e90d65e849b02ca6309c0d480491b77fd0418e4a56637b6c2d5e836072fdff9f, en de alinea staat in dat document op bytes 48015 tot 50554.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e90d65e849b02ca6309c0d480491b77fd0418e4a56637b6c2d5e836072fdff9f | shasum -a 256