Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 24 juni 2004

Alinea 34 College van Beroep voor het bedrijfsleven 24 juni 2004

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 24 juni 2004, ECLI:NL:CBB:2004:AP5962.

Voorzover de klacht van appellant, gezien zijn verklaring ter zitting van de raad van tucht, al geacht moet worden mede betrekking te hebben op het rapport van 24 maart 1997 van [RA 3], mocht [RA 3] er gezien de brief van 18 augustus 1997 van appellant aan [K1] op vertrouwen dat appellant zich in het rapport van 24 maart 1997 kon vinden, althans dat hij geen overwegende bezwaren had tegen dat rapport. In meer algemene zin heeft naar het oordeel van het College te gelden dat, indien iemand zich expliciet positief of juist negatief uitlaat over een gedraging van een accountant en de accountant kennis heeft genomen van deze uitlating, degene die deze uitlating doet in beginsel niet de vrijheid heeft pas jaren later een tuchtklacht terzake in te dienen. De accountant weet immers dat de desbetreffende klager zich een al duidelijke mening heeft gevormd over de gedraging, zodat de accountant erop mag vertrouwen dat de desbetreffende klager, indien deze na het doen van zijn uitlating geruime tijd geen verdere actie onderneemt, niet alsnog een tuchtklacht indient. [RA 3] mocht er gezien de brief van 18 augustus 1997 naar het oordeel van het College dan ook op vertrouwen dat hij niet vier jaar en tien maanden na het opstellen van het rapport van 24 april 1997 nog zou worden geconfronteerd met een tuchtklacht van appellant over dat rapport.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dff46a70297248ec8474dcdcd3148709efaf146fea82fef0f515e13669a63f52. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dff46a70297248ec8474dcdcd3148709efaf146fea82fef0f515e13669a63f52, en de alinea staat in dat document op bytes 15654 tot 17018.