Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 18 juni 2008

Alinea 86 College van Beroep voor het bedrijfsleven 18 juni 2008

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 18 juni 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BD4852.

4.1.2 Appellanten stellen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister bij het vaststellen van de Regelingen niet in strijd met artikel 3:4, tweede lid, Awb zou hebben gehandeld en wijzen er op dat aan de Regelingen het door de minister aan de Tweede Kamer toegezonden rapport "Herziening van het toezicht op de financiële marktsector" (Kamerstukken II, 28 122, nr. 16) ten grondslag ligt. In dit rapport (blz. 17) is gesteld dat sprake is van een rechtvaardige en evenwichtige verdeling van de toezichtskosten binnen relevante groepen onder toezicht gestelden wanneer de heffingsmaatstaven voldoen aan een aantal randvoorwaarden, waaronder (-) representatief voor de toezichtsinspanning en het profijt van toezicht, (-) kostendekkend en (-) stabiel (jaarlijks geen grote fluctuaties). In het rapport werden voor effecteninstellingen met een publieke functie zoals appellanten twee verschillende heffingsmaatstaven voorgesteld, voor prudentieel toezicht het minimum vereiste kapitaal en voor gedragstoezicht de binnenlandse personeelsomvang. Ondanks het feit dat deze maatstaven naar de opvatting van de opstellers van het rapport het meest recht deden aan die randvoorwaarden is in de Kostenregeling voor beide vormen van toezicht gekozen voor het aantal effectencliënten als maatstaf. Naar de opvatting van appellanten heeft de rechtbank in het kader van de toetsing van de Regelingen aan artikel 3:4, tweede lid, Awb ten onrechte belang gehecht aan de omstandigheid dat die uiteindelijke maatstaf is vastgesteld in overleg met de representatieve organisaties. Ten eerste stellen zij in dit verband dat die omstandigheid niet kan afdoen aan de verantwoordelijkheid van de minister, in samenspraak met de toezichthouders, en ten tweede dat ten tijde van het overleg slechts duidelijkheid bestond over het minimumbedrag als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Kostenregeling en de representatieve organisaties geen enkel inzicht hadden in de uitwerking van de gekozen heffingssystematiek. Pas bij de over het jaar 2004 opgelegde heffingen werd die uitwerking duidelijk en bleek in ieder geval voor appellanten dat deze in strijd was met de in voormeld rapport gestelde randvoorwaarden. Hoewel beide toezichthouders in hun door appellanten in geding gebrachte brieven van juni/juli 2005 hebben erkend dat de gekozen heffingsmaatstaf geen goede grondslag vormt voor de verdeling van de toezichtskosten, heeft de minister in weerwil van de toelichting op de Kostenregeling deze maatstaf voor de heffingen over dat jaar niettemin gehandhaafd. In dit verband hebben appellanten in hun hoger beroepschrift, nader uitgewerkt ter zitting, aan de hand van een weergave van de hun opgelegde heffingen over de jaren 2003, 2004 en 2005 gepoogd inzichtelijk te maken wat de toename is geweest van de thans bestreden heffingen ten opzichte van de eerdere jaren. Aangegeven is, dat de heffingen van AFM respectievelijk bij Groeivermogen, ANT en Zwitserleven de volgende ontwikkeling te zien geven: voor Groeivermogen van € 19.937,72 in 2003 via ruim € 42.000 in 2004 naar € 132.408 in 2005, voor ANT van € 5.057,88 in 2003 via € 44.936 in 2004 naar € 173.792 in 2005 en voor Zwitserleven van € 874,03 in 2003 via € 13.158,50 in 2004 naar € 44.914,-- in 2005.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/330c9a0c1f228beb51bf8fa3dc249b3bc091f657088c268b9ee401b232a760ec. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 330c9a0c1f228beb51bf8fa3dc249b3bc091f657088c268b9ee401b232a760ec, en de alinea staat in dat document op bytes 21811 tot 25119.