Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 14 december 2010

Alinea 29 College van Beroep voor het bedrijfsleven 14 december 2010

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 14 december 2010, ECLI:NL:CBB:2010:BO8147.

Het College is van oordeel dat de raad van tucht terecht heeft geconcludeerd dat het werk van appellant, en in het bijzonder de inhoud van zijn rapport, blijk geven van partijdigheid en dat aannemelijk is dat appellant zich te zeer heeft laten leiden door de belangen van schuldeiser F B.V. Uit de in paragraaf 2.13 van de bestreden tuchtbeslissing geciteerde passages uit het rapport, bezien in samenhang met de tekst van de inleidende paragraaf van dit rapport, waarin appellant met name het financiële belang van F B.V. schetst, blijkt duidelijk dat de in het rapport neergelegde opvattingen van appellant in belangrijke mate zijn gekleurd door zowel zijn betrokkenheid bij evengenoemde schuldeiser als door zijn vooringenomenheid ten aanzien van de rechtmatigheid van de financiële handel en wandel van (de directie van) E B.V. Dit wordt naar het oordeel van het College voorts bevestigd in de in rubriek 3.2 van deze uitspraak reeds genoemde brief van 4 januari 2005, waarin appellant zich tot de curator richt om de noodzaak te beklemtonen van een onderzoek naar de administratie van E B.V. Uit die brief blijkt onmiskenbaar de betrokkenheid van appellant bij schuldeiser F B.V. en haar eigenaar/directeur G. Immers, in die brief omschrijft appellant voornoemde holding meermaals als “zijn opdrachtgeefster” en geeft appellant aan dat hij met zijn gevoelens van onvrede over het niet verkrijgen van de volledige administratie van E B.V., zijn bedenkingen bij de taakopvatting van de curator dienaangaande en zijn pleidooi voor een onderzoek mede het standpunt van de heer G vertolkt. Bovendien onderbouwt appellant het belang van een onderzoek ook in deze brief door de curator op de financiële belangen van bedoelde schuldeiser te wijzen. Voorts komt uit de brief duidelijk naar voren wat de gesteldheid van appellant was toen hij vervolgens begin 2005 - van een eerdere opdrachtverlening is het College, in weerwil van het door appellant gestelde, niet gebleken - de opdracht van de curator aanvaardde. Op dat moment was appellant, zoals hij in de brief meermaals stelt en ook ter zitting van het College bij herhaling heeft bevestigd, er reeds van overtuigd “dat enerzijds de administratie van de gefailleerde vennootschap niet juist kan zijn en anderzijds zeer waarschijnlijk een ongeregistreerde geldstroom de vennootschap heeft verlaten”.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c489092d44d535b259d0cb808efb467a873f826c327f47a2e4343faf3b004ab1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c489092d44d535b259d0cb808efb467a873f826c327f47a2e4343faf3b004ab1, en de alinea staat in dat document op bytes 13705 tot 16079.