Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 17 maart 2011

Alinea 116 College van Beroep voor het bedrijfsleven 17 maart 2011

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 17 maart 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BP8060.

Op grond van artikel 6 Mw is het verboden overeenkomsten tussen ondernemingen te sluiten die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Artikel 81 EG heeft eenzelfde strekking. Zoals de rechtbank in haar uitspraak (p. 26, onderaan) overweegt moet de overeenkomst worden onderzocht binnen de economische context waarin zij toepassing vindt, rekening houdend met de doelstellingen van partijen en de wijze waarop zij daadwerkelijk op de markt optreden, de producten of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, de structuur van de betrokken markt en de werkelijke omstandigheden waaronder deze functioneert. De rechtbank verwijst daarbij terecht naar de uitspraak van het College van 28 oktober 2005 (AWB 04/794 en 04/829, <www.rechtspraak.nl>, LJN: AU5316, Modint). Uit deze uitspraak volgt dat het voor een beoordeling van een overeenkomst in het licht van artikel 6 Mw noodzakelijk is om de (markt-)situatie zonder de gewraakte overeenkomst te vergelijken met een situatie waarbij de overeenkomst wel van toepassing is. In het onderhavige geval betekent dit dat de situatie waarin de groothandelaren in het overleg met de producentenorganisaties minimumprijzen hebben toegezegd in ruil voor minder vergaande vangstbeperkingen, moet worden vergeleken met de situatie waarin de producentenorganisaties zonder overleg met hen en zonder een toezegging van minimumprijzen eenzijdig vangstbeperkingen zouden hebben getroffen. Deze vergelijking dient te worden bezien in de context van de situatie waarbij het de producentenorganisaties is toegestaan haar leden vangstbeperkingen op te leggen. Als deze vergelijking wordt gemaakt, blijkt dat de afgegeven minimumprijzen juist een mededingingsbevorderend, althans geen mededingingsbeperkend, effect hebben. Zonder het overleg met de handelaren en zonder de toezegging van minimumprijzen zouden de producentenorganisaties naar alle waarschijnlijkheid vergaande vangstbeperkingen hebben opgelegd. Een beperking van het aanbod zal immers leiden tot een verhoging van de prijs. Het is echter op voorhand moeilijk te voorspellen hoe groot de prijsverhoging zal zijn. Om zeker te zijn dat de prijs voldoende zou stijgen, zouden de producentenorganisaties in eerste instantie aanzienlijke vangstbeperkingen hebben opgelegd. De dreiging van rigoureuze vangstbeperkingen was voor de groothandelaren de beweegreden om minimumprijzen toe te zeggen. Normaal gesproken hebben zij geen belang bij minimumprijzen, omdat zij zijn gebaat bij zo laag mogelijke inkoopprijzen. Het toezeggen van minimumprijzen was voor hen slechts een middel om erger te voorkomen, te weten rigoureuze vangstbeperkingen die ertoe zouden hebben geleid dat zij niet in de vraag naar garnalen hadden kunnen voorzien. Door minimumprijzen toe te zeggen hebben zij het aanbod kunnen verruimen, waardoor vraag en aanbod beter op elkaar konden worden afgestemd en de prijzen waarschijnlijk lager zijn uitgevallen. NMa heeft hieraan geen aandacht besteed en de rechtbank heeft het beroep van C en B ten aanzien van dit aspect genegeerd, althans onvoldoende in aanmerking genomen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f9d465af699bed88a1ccc540f9f04a81322fb15c09c8e8e839556dafb97a8efd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f9d465af699bed88a1ccc540f9f04a81322fb15c09c8e8e839556dafb97a8efd, en de alinea staat in dat document op bytes 28862 tot 32051.