Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2011

Alinea 302 College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2011

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BT6521.

Voorts gaat de rechtbank voorbij aan het feit dat het vermoeden uitsluitend geldt wanneer wordt bewezen dat er afstemming heeft plaatsgevonden. Indien onomstotelijk vast staat dat er afstemming heeft plaatsgevonden, is het gerechtvaardigd te vermoeden dat de deelnemers aan de afstemming hier bij hun marktgedrag rekening mee hebben gehouden. Indien het bewijs van de afstemming echter zwak is bestaat er geen rechtvaardiging voor een vermoeden van causaal verband; het gecoördineerde gedrag moet bewezen worden. Uit vaste Europese jurisprudentie volgt dat de drie elementen van het begrip onderling afgestemde feitelijke gedraging en de bewijslast die ten aanzien van die elementen geldt met elkaar in verband staan. Het zijn als het ware communicerende vaten. Is het bewijs ten aanzien van het ene element zwak, dan geldt een hogere eis ten aanzien van het andere element.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/60be68175c05c1c63b0999d8c87186ead935710ffe55ab4aa0e1f225c826e5a8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 60be68175c05c1c63b0999d8c87186ead935710ffe55ab4aa0e1f225c826e5a8, en de alinea staat in dat document op bytes 115681 tot 116570.