Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2011
Alinea 305 College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2011
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BT6521.
II-3567, punten 59-61), waarin het Gerecht onder meer oordeelde dat twijfel bij de rechter over het bewijs van een inbreuk op artikel 81 EG in het voordeel dient te spelen van de onderneming die de adressaat is van de beschikking waarbij een inbreuk is vastgesteld. Een inbreuk is niet rechtens genoegzaam aangetoond, wanneer daarover bij de rechter nog twijfel bestaat, met name als een boete is opgelegd. In dit geval moet volgens het Gerecht immers rekening worden gehouden met het beginsel van het vermoeden van onschuld, zoals dat met name voortvloeit uit artikel 6, tweede lid, EVRM, dat deel uitmaakt van de fundamentele rechten die volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie algemene beginselen van gemeenschapsrecht vormen. Gelet op de aard van de betrokken inbreuken alsmede op de aard en de ernst van de daaraan verbonden sancties, is het beginsel van het vermoeden van onschuld met name van toepassing op procedures betreffende inbreuken op de voor ondernemingen geldende mededingingsregels, die tot het opleggen van geldboetes of dwangsommen kunnen leiden, aldus het Gerecht.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/60be68175c05c1c63b0999d8c87186ead935710ffe55ab4aa0e1f225c826e5a8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 60be68175c05c1c63b0999d8c87186ead935710ffe55ab4aa0e1f225c826e5a8, en de alinea staat in dat document op bytes 117190 tot 118296.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/60be68175c05c1c63b0999d8c87186ead935710ffe55ab4aa0e1f225c826e5a8 | shasum -a 256