Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2011

Alinea 307 College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2011

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BT6521.

Het Hof van Justitie bevestigt voorts dat (geëist kan worden dat) ondernemingen bewijs kunnen leveren om het vermoeden van causaliteit te ontzenuwen. Het specificeert echter niet wat voldoet als tegenbewijs en hoe hoog de lat voor het te leveren tegenbewijs ligt. De bewijslast voor een overtreding ligt bij de mededingingsautoriteit. Indien deze aan haar bewijslast kan voldoen op basis van jurisprudentiële bewijsvermoedens (zonder daarmee de onschuldpresumptie te schenden), zou een vereiste dat de betrokken onderneming tegendeelbewijs moet leveren van wat wordt vermoed, stellig in strijd zijn met de onschuldpresumptie. Het zou immers neerkomen op een volledige omkering van de bewijslast. Volgens Gazelle moet het tegenbewijs voldoende twijfel oproepen met betrekking tot de vraag of de mededingingsautoriteit geslaagd is in de bewijsvoering. Zij wordt in dit standpunt gesteund door de Hoge Raad (zie arrest van 25 oktober 2002,

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/60be68175c05c1c63b0999d8c87186ead935710ffe55ab4aa0e1f225c826e5a8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 60be68175c05c1c63b0999d8c87186ead935710ffe55ab4aa0e1f225c826e5a8, en de alinea staat in dat document op bytes 118863 tot 119815.