Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2011

Alinea 449 College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2011

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BT6521.

Het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat de prijsstijgingen voor het overige niet mede het gevolg zijn geweest van het doorberekenen van kosten, is onbegrijpelijk. De rechtbank lijkt ervan uit te zijn gegaan dat het aan de fietsfabrikanten is om te bewijzen dat de overtreding niet één jaar geduurd heeft. Dit is in strijd met de vaste nationale en Europese jurisprudentie. Volgens deze jurisprudentie rust de bewijslast met betrekking tot de duur van de overtreding op de mededingingsautoriteit. Gazelle verwijst in dit verband onder meer naar het arrest van het Gerecht van Eerste Aanleg van 7 juli 1994, (T-43/92, Dunlop Slazenger, Jur. blz. II-441). Op basis van deze jurisprudentie was het in de onderhavige zaak aan NMa om aan te tonen dat de herziening van de prijslijsten op 1 januari 2001 geen onderbreking van de vermeende afstemming betrof.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/60be68175c05c1c63b0999d8c87186ead935710ffe55ab4aa0e1f225c826e5a8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 60be68175c05c1c63b0999d8c87186ead935710ffe55ab4aa0e1f225c826e5a8, en de alinea staat in dat document op bytes 191739 tot 192630.