Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2012

Alinea 44 College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2012

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BY0641.

4.3 AFM betoogt dat de Regeling geen grond biedt voor de stelling van appellante dat van het in behandeling nemen van een aanvraag geen sprake kan zijn als er geen enkele inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden. Volgens AFM volgt uit artikel 2, eerste lid, van de Regeling dat zij eenmalig een bedrag in rekening dient te brengen aan de aanvrager van een vergunning ter vergoeding van de kosten van de behandeling van die aanvraag. Zodra een aanvang is gemaakt met de behandeling, dient AFM kosten in rekening te brengen. Noch uit de Regeling noch uit de bijbehorende toelichting of jurisprudentie volgt dat AFM tenminste bepaalde werkzaamheden zou moeten hebben verricht bij de behandeling van een vergunningaanvraag voordat de heffing wordt opgelegd, laat staan dat sprake moet zijn van een inhoudelijke beoordeling van de vergunningaanvraag. Het uitgangspunt is dat op het moment dat een vergunningaanvraag door AFM wordt ontvangen er kosten verschuldigd zijn. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 23 maart 2007 (www.rechtspraak.nl, LJN: BA1262) betoogt AFM dat het indienen van de (initiële) vergunningaanvraag voldoende grondslag biedt om een eenmalige heffing op te leggen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1ac8d9ab53c6333eb516b38d01bec07e625c42f29e409d4bf0269a6b296fd9b6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1ac8d9ab53c6333eb516b38d01bec07e625c42f29e409d4bf0269a6b296fd9b6, en de alinea staat in dat document op bytes 14971 tot 16190.