Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 28 november 2013
Onder 4.4 College van Beroep voor het bedrijfsleven 28 november 2013
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 28 november 2013, ECLI:NL:CBB:2013:260.
De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat AFM artikel 4:34, tweede lid, van de Wft juist heeft uitgelegd door de door de branche zelf vastgestelde Gedragscode VFN als minimumnorm te hanteren bij de beoordeling of aanbieders van kredieten zich houden aan het verbod van overkreditering. [A] heeft daartoe gesteld dat de door AFM gegeven concretisering van de norm dat met een consument geen kredietovereenkomst wordt aangegaan indien dit, met het oog op overkreditering van de consument, onverantwoord is, neerkomt op regelgeving. De door AFM gestelde regels zijn de normen uit de Gedragscode VFN, die door AFM immers worden gehanteerd bij de toepassing van artikel 4:34, tweede lid, van de Wft. Een bevoegdheid tot het stellen van regels heeft AFM echter niet. Omdat de door AFM gehanteerde normen niet in artikel 4:34, tweede lid, van de Wft zijn neergelegd, kan geen sprake zijn van beboeting op basis van die bepaling. Voorts is de boeteoplegging in strijd met het lex certa beginsel: de open norm van artikel 4:34, tweede lid, van de Wft is onvoldoende kenbaar en bepaald. In elk geval volgt uit die open norm niet kenbaar en expliciet de door AFM aan die open norm gegeven concretisering. Dit brengt mee dat [A] in elk geval geen verwijt kan worden gemaakt van de vermeende overtreding van meergenoemd artikel. Daarbij heeft [A] er op gewezen dat in specifieke gevallen haar eigen normen in de Procedure CK strenger uitpakken dan de normen uit de gedragscode van de VFN. Daaruit moge blijken dat [A] niet opzettelijk en niet verwijtbaar heeft gehandeld. Ook heeft [A] de ernst betwist van hetgeen haar wordt verweten: slechts in drie van de 30 onderzochte klantdossiers zou sprake zijn van overkreditering. Ook omdat de eigen normen in specifieke gevallen strenger uitpakken dan die van de Gedragscode VFN, is er geen aanleiding om haar dit zwaar aan te rekenen. Ook de evenredigheid van het optreden door AFM wordt daarmee door [A] betwist. AFM had niet tot boeteoplegging moeten over gaan, maar had dienen te volstaan met het voeren van een normoverdragend gesprek. Omdat de onderbouwing van de besluiten 1 en 2 grotendeels gelijkluidend is en de in geding zijnde bepalingen dezelfde belangen beogen te beschermen, is er sprake is van niet-toelaatbare eendaadse samenloop, dan wel schending van het ne bis in idem beginsel. Voorts is de boete onevenredig hoog: AFM had, gelet op de verminderde verwijtbaarheid en de - matige - ernst van de overtreding, de boete moeten matigen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ebc4635abc31ab1338f30dd2eb555c9e2c7847684ac7949f8b12beb9955bf147. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ebc4635abc31ab1338f30dd2eb555c9e2c7847684ac7949f8b12beb9955bf147, en de alinea staat in dat document op bytes 31771 tot 34274.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ebc4635abc31ab1338f30dd2eb555c9e2c7847684ac7949f8b12beb9955bf147 | shasum -a 256