Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 25 juni 2013

Onder 2.2 College van Beroep voor het bedrijfsleven 25 juni 2013

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 25 juni 2013, ECLI:NL:CBB:2013:4.

In de aangevallen uitspraak overweegt de rechtbank dat de (juridische) adviezen van mr. P.F. Hopman van 1 november 2005 en 12 mei 2006 zijn gericht aan A.D. Pieters (hierna: Pieters) en dat deze betrekking hebben op één van de vennootschappen van Pieters met landbouw- en bosgronden in eigendom, welke vennootschap gebruik maakt van tussenpersonen die op provisiebasis werken. Volgens deze adviezen kan de desbetreffende grond niet als financieel product worden aangemerkt en is de toen geldende Wet financiële dienstverlening niet van toepassing. De rechtbank overweegt dat uit deze adviezen niet blijkt dat advies ten behoeve van lnvesterra zelf is gegeven. Pieters is weliswaar ook bestuurder van onder meer Investerra, maar Investerra wordt nergens in het advies genoemd. Daarbij heeft AFM erop gewezen dat Investerra haar eerste overeenkomst pas op 29 maart 2007 heeft gesloten, terwijl het eerste advies van anderhalfjaar daarvoor dateert. Nu uit de tekst niet blijkt dat dit advies specifiek op Investerra en de door haar aangeboden producten ziet, is volgens de rechtbank niet uitgesloten dat het juridisch advies niet specifiek op Investerra ziet. Voorts overweegt de rechtbank dat in haar rechtspraak (uitspraken van 3 maart 2011, LJN: BP6971 en 7 april 2011, LJN: BQ1181) is uitgemaakt dat het begrip beleggingsobject in artikel 1:1 Wft niet onduidelijk is. Daarbij is verwezen naar de uitspraken van het College van 20 september 2005 (LJN: AU3267) en 30 januari 2007 (LJN: AZ9465). Ook Investerra had volgens de rechtbank uit deze uitspraken van het College kunnen en moeten afleiden dat aan de intentie van contractspartijen groot gewicht toekomt bij de vaststelling of al dan niet sprake is van een bepaald financieel product (in die gevallen een effect en in dit geval een beleggingsobject) en dat de subjectieve bedoeling van contractspartijen mede kan worden afgeleid uit de wijze waarop in de praktijk van de verworven rechten gebruik is gemaakt. De rechtbank wijst erop dat, in tegenstelling tot hetgeen Investerra betoogt, de situatie in haar uitspraken van 3 maart 2011 en 7 april 2011 te vergelijken is met die van Investerra. Ook in deze zaken is in de uitspraken van de voorzieningenrechter met betrekking tot de publicatie vanwege het opleggen van een boete het beroep op het pleitbaar standpunt aan de orde gekomen en is de publicatie geschorst. De rechtbank wijst er voorts op dat de uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 oktober 2010 ter zake van de aan Investerra opgelegde boete een voorlopig oordeel inhield in het licht van de toen geldende rechtspraak van de voorzieningenrechter. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van een bewust talmen door AFM met het innemen van een standpunt, zoals door Investerra is betoogd. Investerra heeft na het informatieverzoek van AFM van 19 augustus 2008 in september en oktober 2008 AFM diverse keren om een standpunt gevraagd. Investerra heeft op 9 oktober 2008 AFM ervan op de hoogte gebracht dat zij stopte met het aanbieden van percelen grond beneden € 50.000,-. AFM heeft Investerra op 22 oktober 2008 medegedeeld dat zij in strijd met de bij of krachtens de Wft gestelde regels handelde door in Nederland beleggingsobjecten aan te bieden zonder een daarvoor benodigde vergunning van AFM te hebben verkregen en voornemens te zijn tot het geven van een aanwijzing. AFM heeft dus iets meer dan anderhalve maand na Investerra’s eerste verzoek een standpunt ingenomen. Daarmee gaat het naar het oordeel van de rechtbank niet om een bijzonder lange periode. Dat AFM in andere door Investerra aangehaalde zaken geen boete heeft opgelegd levert naar het oordeel van de rechtbank geen strijd op met het gelijkheidsbeginsel. AFM heeft ter zitting bij de rechtbank toegelicht dat alle partijen in deze zaken de Wft hadden overtreden en dat een boete steeds op zijn plaats was. AFM heeft echter om redenen van opportuniteit afgezien van het opleggen van een boete vanwege de eerdere uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank. Omdat bij Investerra de boete al was opgelegd, is deze procedure, evenals de procedures die hebben geleid tot de uitspraken van deze rechtbank van 3 maart 2011 en 7 april 2011, door AFM doorgezet. In deze drie zaken heeft AFM uitgebreid gemotiveerd op grond waarvan zij boeteoplegging een passende maatregel acht. Naar het oordeel van de rechtbank is het aan AFM om redenen van opportuniteit een afweging te maken met betrekking tot het volgen van het handhavingstraject. Gelet op dit alles bestaat er volgens de rechtbank geen grond voor het oordeel dat Investerra in het geheel geen verwijt van de overtreding valt te maken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/372233a09a2efcc77f401dbcaaa00828bdd91a1368ce739ea05b1d54a2d0071f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 372233a09a2efcc77f401dbcaaa00828bdd91a1368ce739ea05b1d54a2d0071f, en de alinea staat in dat document op bytes 10855 tot 15601.