Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 17 juli 2013

Onder 4.1 College van Beroep voor het bedrijfsleven 17 juli 2013

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 17 juli 2013, ECLI:NL:CBB:2013:78.

Het College is van oordeel dat verweerders ten onrechte hebben aangenomen dat is voldaan aan de in artikel 4, onder b, van de Verordening gestelde voorwaarde voor gebruikmaking van de in dat artikel aan hen gegeven bevoegdheid om tot wijziging van een ontheffing over te gaan. De tekst van deze bepaling stelt buiten twijfel dat een relatie moet bestaan tussen enerzijds de veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten die wijziging van een ontheffing noodzakelijk maken en anderzijds de belangen ter bescherming waarvan de ontheffing is verleend. Dit betekent dat het feit dat sprake is van een gewijzigd (beleidsmatig) inzicht bij verweerders over de wijze waarop de beschikbare ontheffingen moeten worden verdeeld onder de gegadigden en de maximale geldigheidsduur van een ontheffing als bedoeld in artikel 6 van de Verordening, op zich zelf onvoldoende is voor gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid. Voor zover verweerders van mening zijn dat hun gewijzigde inzicht wijziging van de ontheffingen van appellanten noodzakelijk maakt in verband met het belang van de bevordering van concurrentieverhoudingen tussen winkeliers, kan dit belang niet worden aangemerkt als een belang ter bescherming waarvan de ontheffing is verleend. Weliswaar geldt de bevordering van eerlijke concurrentieverhoudingen door het creëren van gelijke uitgangsposities als één van de uitgangspunten van de Wet, maar de bepaling dat slechts één winkel op 15.000 inwoners op zondagavond geopend mag zijn, waarop de ontheffingsmogelijkheid van artikel 6 van de Verordening betrekking heeft, is niet met het oog op die doelstelling geschreven (zie de uitspraak van het College van 29 april 2011, LJN: BQ3759). In hetgeen verweerders overigens ter motivering van de bestreden besluiten naar voren hebben gebracht, kan het College geen beroep ontwaren op enig belang ter bescherming waarvan de ontheffing is vereist. Aangetekend hierbij wordt dat in ieder geval de belangen van de bescherming van de woon- of de leefsituatie, de veiligheid of de openbare orde in de omgeving van de winkel als genoemd in artikel 6, vierde lid, van de Verordening, moeten worden beschouwd als belangen ter bescherming waarvan de in dat artikel bedoelde ontheffing is verleend. Verweerders hebben niet gesteld dat hun gewijzigde inzicht verband houdt met deze belangen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/401b69ca3808d6dd89b60e66bd5bd4279b312e1109597210d2f7c06435eec0af. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 401b69ca3808d6dd89b60e66bd5bd4279b312e1109597210d2f7c06435eec0af, en de alinea staat in dat document op bytes 13154 tot 15505.