Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 7 augustus 2014

Onder 5.2 College van Beroep voor het bedrijfsleven 7 augustus 2014

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 7 augustus 2014, ECLI:NL:CBB:2014:304.

Het College overweegt daartoe allereerst dat door DNB bij de uitleg en toepassing van de desbetreffende bepalingen in het Bbpm het uitgangspunt is gehanteerd dat DSB met de gestelde overeenkomst bekend was of behoorde te zijn Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank, indien wordt uitgegaan van de juistheid van dit uitgangspunt bij de toepassing van het Bbpm in het geval van appellante, op goede grond geoordeeld dat DSB niet beschikte over een schriftelijk document dat voldoende aanknopingspunt biedt voor het oordeel dat de Houdstermaatschappij gelden op het deposito voor appellante, als derde in de zin van artikel 19, aanhef en onder c, Bbpm aanhield. De rechtbank heeft, wederom indien wordt uitgegaan van de juistheid van het hiervoor genoemde uitgangspunt, daarbij terecht het door DNB ingenomen standpunt gevolgd dat in dezen op appellante de bewijslast rust en op goede grond geoordeeld dat appellante, ondanks de door appellanten nader gegeven informatie en toelichting op de gang van zaken, er niet in is geslaagd het in dezen van haar verlangde bewijs te leveren. De door appellante in hoger beroep aangevoerde gronden kunnen dan ook in zoverre niet slagen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fd58484c8f5ae12e1b1501025dab098c38458248fd4248a2d4f8e8817830e78a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fd58484c8f5ae12e1b1501025dab098c38458248fd4248a2d4f8e8817830e78a, en de alinea staat in dat document op bytes 41542 tot 42741.