Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 7 augustus 2014

Onder 2.2 College van Beroep voor het bedrijfsleven 7 augustus 2014

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 7 augustus 2014, ECLI:NL:CBB:2014:304.

Bij brief van 23 april 2010 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen voornoemde beslissing, waarna zij bij brief van 7 juni 2010 de gronden van hun bezwaar hebben aangevuld. Appellanten hebben daarbij aangevoerd dat de Houdstermaatschappij moet worden aangemerkt als een persoon, bedoeld in onderdeel a van artikel 19 van het Bbpm die krachtens overeenkomst of wet op eigen naam deposito’s ten behoeve van derden bij de betalingsonmachtige bank aanhoudt, een en ander als bedoeld in onderdeel c van genoemd artikel. Daartoe hebben zij, samengevat weergegeven, aangevoerd dat zij destijds, nadat zij in verband met hun leeftijd hun installatiebedrijf hadden verkocht, hun bedrijfspand als pensioenvoorziening hebben ingebracht in hun houdstermaatschappij [naam 3]. Na verkoop van dit pand beschikte de houdstermaatschappij alleen nog over financiële middelen. De Houdstermaatschappij beheert uitsluitend de pensioenvoorziening van appellanten en ontplooit verder geen zakelijke activiteiten. Het was de uitdrukkelijke bedoeling van appellante en appellant om voor hen beiden een deposito van € 100.000, -- af te sluiten. DSB Bank heeft, na aanvraag daartoe van appellant, een overeenkomst voor deposito sparen toegestuurd. Conform de aanvraag stond op de overeenkomst vermeld dat het gewenste maximale deposito € 100.000,-- bedroeg, het maximale bedrag dat door het garantiestelsel is afgedekt. Ten kantore van DSB Bank te [plaats 2] heeft vervolgens een bespreking plaatsgevonden met een medewerker van de afdeling bancaire processen van DSB Bank. Deze laatste heeft toen namens DSB Bank uiteengezet dat ook appellante zou kunnen meedoen tot het door het garantiestelsel afgedekte bedrag van €100.000,--. Overgehaald door deze aanprijzing hebben appellanten ermee ingestemd om ook voor mevrouw [naam 2] een deposito te openen. Ter uitvoering daarvan is de naam van mevrouw [naam 2] handgeschreven toegevoegd op de voorgedrukte overeenkomst. Handmatig is het bedrag van het deposito van € 100.000,-- doorgehaald en veranderd in € 200.000,--. Appellanten hebben daarbij verwezen naar de bij hun bezwaar gevoegde overeenkomst van 10 april 2009 met DSB-Bank. In het licht van het advies en de bijstand van de door hen genoemde medewerker van DSB Bank menen de heer en mevrouw [naam 2] erop te hebben mogen vertrouwen dat de administratieve splitsing op deze wijze toereikend zou zijn om ieder een eigen aanspraak op het garantiestelsel te kunnen doen. Feitelijk kwalificeert de situatie zich volgens hen voorts als een en/of-rekening waarbij het garantiebedrag per persoon geldt. In het licht van de omstandigheden van het geval mag het in redelijkheid geen verschil maken dat formeel de tenaamstelling van het tweede deposito op de Houdstermaatschappij is komen te rusten. DNB kon voorts eenvoudig achteraf de identiteit van mevrouw [naam 2] vaststellen aan de hand van alle relevante documenten die bestonden voordat DSB Bank betalingsonmachtig werd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fd58484c8f5ae12e1b1501025dab098c38458248fd4248a2d4f8e8817830e78a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fd58484c8f5ae12e1b1501025dab098c38458248fd4248a2d4f8e8817830e78a, en de alinea staat in dat document op bytes 17772 tot 20759.