Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 7 augustus 2014
Onder 4.2.2 College van Beroep voor het bedrijfsleven 7 augustus 2014
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 7 augustus 2014, ECLI:NL:CBB:2014:304.
In haar brief van 16 juli 2013, in antwoord op de door het College bij brief van 1 mei 2013 gestelde vragen, stelt DNB zich bovendien, zo begrijpt het College, op het standpunt dat de twintigste overweging van de Richtlijn inhoudt dat een niet-rekeninghouder alleen dan een aanspraak op het DGS kan doen indien hij als deposant kan worden aangemerkt, hetgeen vereist dat hij, al dan niet gezamenlijk met één of meer anderen, over de rekening kan beschikken. In dit verband heeft DNB, met verwijzing naar de daarbij overgelegde stukken inzake de ontstaansgeschiedenis van de Richtlijn onder meer gewezen op het volgende. Uit onder andere de (hiervoor onder 2.1 aangehaalde) twintigste overweging van de Richtlijn en het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van de Richtlijn inzake de regeling voor de zogeheten gemeenschappelijke rekeningen moet, aldus DNB, worden afgeleid dat onderscheid moet worden gemaakt tussen “rekeninghouder” en ”deposant”. Met “rekeninghouder” wordt gedoeld op degene die bij naam is aangeduid als wederpartij van de bank in de tussen hen bestaande relatie op grond van een vordering uit deposito. Blijkens de genoemde twintigste overweging moet de dgs-limiet ook van toepassing zijn op deposanten, die niet als rekeninghouder vermeld zijn. Uit het bepaalde in artikel 1 en artikel 8, tweede lid, van de Richtlijn inzake de gemeenschappelijke rekening volgt, aldus DNB, dat als deposant niet alleen moet worden aangemerkt de persoon of personen op wiens naam de rekening is gesteld, maar ook de personen die niet als rekeninghouder zijn aangemerkt maar wel rechten hebben ten aanzien van de rekeningen en met de handtekening kunnen beschikken over de rekening. De enkele contractuele afspraak tussen rekeninghouder en een derde, inhoudende dat de rekeninghouder voor de derde gelden houdt, is onvoldoende om als “deposant” te kunnen worden aangemerkt. DNB verwijst voorts naar de totstandkomingsgeschiedenis van de Richtlijn, waaruit zou volgen dat het de bedoeling was de kring van personen die een aanspraak op het DGS hebben, te beperken. Niet een ieder, die uiteindelijk belanghebbende is bij het op een deposito aangehouden tegoed, heeft een aanspraak gekregen op het DGS, maar slechts zij die een absolute, onbeperkte aanspraak hebben op het op een deposito aangehouden tegoed, zoals de rechthebbende op een specifieke verzamelrekening als de derdenrekening van een notaris. DNB wijst er in dit verband op dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 8, derde lid, van de Richtlijn blijkt dat de aanvankelijk aldaar gebruikte term “economisch eigenaar” is vervangen door “rechthebbende”. In de Engelstalige versie van de Richtlijn is het begrip “rechthebbende” thans aangeduid met de term “the person who is absolutely entitled” (was: “ beneficial owner”). In de Duitstalige versie wordt hier de term “der uneingeschränkt Nutzungsberechtigde” gebezigd (was, in eerdere ontwerp-versie : “wirtschaftliche Eigentümer”). De derde-gerechtigde die economisch eigenaar is via een niet bij de bank bekende, onderhandse overeenkomst met de rekeninghouder heeft geen absoluut, onbeperkt recht op de tegoeden op een rekening. Zo kan deze derde niet nauwkeurig aanwijzen welke bestanddelen van het door de rekeninghouder aangehouden tegoed aan hem toebehoren en kan zijn vordering op de rekeninghouder – hij heeft immers geen vordering op de bank – ook door de rekeninghouder worden voldaan uit andere financiële middelen dan de tegoeden op de betrokken rekening. Alleen de persoon met een onbeperkt, absoluut recht, zoals bekend bij de betrokken bank, heeft aanspraak op een vergoeding. Een derde die geen rechtstreekse vordering op de bank heeft of anderszins een absolute, onbeperkte aanspraak op de vordering uit deposito, maar slechts een contractuele vordering op de rekeninghouder, heeft geen aanspraak op het DGS . Anderzijds wordt in de reactie van DNB ook erkend dat bij een door een notaris aangehouden derdenrekening deze derden geen eigen, rechtstreekse vorderingen hebben op de bank. DNB benadrukt in haar reactie dat een andere opvatting tot zeer ongewenste gevolgen zou leiden, die de wetgever niet kan hebben bedoeld. Als het Bbpm niet zou vereisen dat de betrokken bank bekend was of had moeten zijn met de aanspraken van derden op de tegoeden, zou de situatie kunnen ontstaan dat voor één tegoed tweemaal een vergoeding uit het DGS uitgekeerd moet worden. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren als de rekeninghouder niets stelt omtrent een aanspraak van een derde-rechthebbende op een tegoed op een rekening, terwijl de derde-rechthebbende op basis van een niet bij de bank bekend document stelt dat het volledige tegoed aan hem moet worden toegerekend. Een dergelijke opvatting zou voorts de uitvoering van het DGS, waaronder de noodzaak tijdig uit te keren, in feite onmogelijk maken. DNB zou in dat geval immers voor elke aanvrage moeten onderzoeken of er wellicht derden zijn die er op grond van wet of overeenkomst een aanspraak op hebben
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fd58484c8f5ae12e1b1501025dab098c38458248fd4248a2d4f8e8817830e78a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fd58484c8f5ae12e1b1501025dab098c38458248fd4248a2d4f8e8817830e78a, en de alinea staat in dat document op bytes 31167 tot 36245.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fd58484c8f5ae12e1b1501025dab098c38458248fd4248a2d4f8e8817830e78a | shasum -a 256