Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 oktober 2014

Onder 3.8 College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 oktober 2014

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 2 oktober 2014, ECLI:NL:CBB:2014:379.

In eerste aanleg heeft klaagster aangevoerd dat betrokkene de waarde van [naam 3] BV kunstmatig heeft verlaagd door de schulden aan de groepsmaatschappij [naam 4] BV te verhogen. Betrokkene heeft als verweer gevoerd dat [naam 4] BV betalingen heeft verricht voor [naam 5] BV, hetgeen leidt tot een vordering van [naam 4] BV op [naam 5] BV en een schuld van [naam 5] BV aan [naam 4] BV, maar dat dit voor de uiteindelijke verdeling niet uitmaakt aangezien beide ondernemingen in de huwelijksgoederengemeenschap vallen. In hoger beroep heeft klaagster aangegeven dat de schuld van [naam 5] BV aan [naam 4] BV in de jaren 2005 tot en met 2009 steeds met eenzelfde bedrag is verhoogd als het bedrag waarmee de vordering van [naam 4] BV op [naam 5] BV is verhoogd. Daarmee heeft zij het betoog van betrokkene niet betwist, maar onderschreven. De enkele stelling dat een en ander van invloed is op de solvabiliteit van [naam 5] BV en op de mogelijkheid om klaagster uit [naam 5] BV uit te kopen, is onvoldoende voor de conclusie dat betrokkene op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar zou hebben gehandeld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/faef752768e3b03cdf8827f181ad7aa87f5493838117e2f4a401fad7c0bd047d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt faef752768e3b03cdf8827f181ad7aa87f5493838117e2f4a401fad7c0bd047d, en de alinea staat in dat document op bytes 26384 tot 27498.