Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 oktober 2014

Onder 4.2.2 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 oktober 2014

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 oktober 2014, ECLI:NL:CBB:2014:413.

De stelling dat de bestuursdwang niet had mogen worden uitgevoerd, omdat appellant onvoldoende tijd heeft gehad voor het treffen van maatregelen wordt niet gevolgd. Gelet op het feit dat, naar door verweerder is vastgesteld, één (of meer) van de aangeplakte lasten was (of waren) verwijderd in samenhang met de constatering dat appellant die dag een aantal dieren had aangemeld voor destructie, acht het College het onaannemelijk dat appellant niet voor 4 april kennis heeft genomen van de last. Verweerder heeft de conclusie kunnen trekken dat appellant op 4 april niet meer aan de last zou kunnen voldoen om alle dode dieren te verwijderen en heeft dan ook terecht kunnen overgaan tot het uitvoeren van bestuursdwang door zelf de nog aangetroffen kadavers af te doen voeren. Overigens kan, ingevolge het bepaalde bij artikel 5:31 Awb, indien de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kan worden afgewacht spoedbestuursdwang worden toegepast ook als niet eerder een last onder bestuursdwang is opgelegd. Naar het oordeel van het College mocht verweerder de maatregelen met betrekking tot het verwijderen van de kadavers, die 4 april 2013 zijn uitgevoerd, ook zonder voorafgaande last uitvoeren, gelet op de geschetste en aan de hand van een grote hoeveelheid fotomateriaal geïllustreerde situatie op het bedrijf, welke situatie naar het oordeel van het College als buitengewoon zorgwekkend moet worden gekwalificeerd. Dat verweerder tot een dergelijke spoedingreep bevoegd was geldt ook voor het door de bedrijfsverzorgingsdienst laten uitmesten van de stallen. Dat de situatie de dag ervoor iets anders werd ingeschat maakt niet dat de maatregel niet gerechtvaardigd is, gelet ook op de second opinion van de tweede dierenarts die vanaf 4 april 2013 bij de controles was betrokken. Bij dit oordeel neemt het College mede in aanmerking dat op 4 april 2013 bleek dat er nog meer kadavers in de stallen lagen terwijl volgens de dierenartsen de mogelijke doodsoorzaak gasvorming was door mest en ook het onthouden van medische zorg aan zieke dieren een oorzaak van de sterfte kan zijn, dat er nog geen begin was gemaakt met het opruimen van de mest en dat het onmogelijk was contact te maken met appellant. Naar het oordeel van het College is verweerder er dan ook op goede gronden van uitgegaan dat appellant kennelijk niet uit eigen beweging bereid dan wel in staat was om op korte termijn maatregelen te treffen om de overtredingen te beëindigen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/223f55f6c9a2ad38df864fe12ad34312ff18349b7d544c1d49f11668f10d18ed. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 223f55f6c9a2ad38df864fe12ad34312ff18349b7d544c1d49f11668f10d18ed, en de alinea staat in dat document op bytes 27127 tot 29601.