Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 oktober 2014

Onder 4.4.3 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 oktober 2014

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 30 oktober 2014, ECLI:NL:CBB:2014:413.

Een van de daarbij in aanmerking te nemen punten van afweging is of en zo ja wanneer, gelet op het bepaalde in artikel 5:30, tweede lid, Awb, de dieren verkocht kunnen worden in verband met het onevenredig hoog worden van de kosten van bewaring in verhouding tot de waarde van de dieren. Bij de in dit verband te maken keuzen behoorde verweerder in appellants geval naar het oordeel van het College te betrekken dat het teruggeven van de runderen aan appellant naar zijn eigen verwachting niet aan de orde zou zijn. De overtuiging van verweerder was immers dat appellant zelf duurzaam niet in staat zou zijn de dieren op de juiste wijze te verzorgen, zodat het vermoedelijke resultaat van de toepassing van artikel 5:29, eerste lid, Awb in dit geval zou zijn dat de dieren zouden moeten worden verkocht. Verweerder heeft echter volstaan met toesturen van de kennelijk gebruikelijke standaardcorrespondentie. Het College stelt aan de hand van de overgelegde stukken vast dat verweerder weliswaar op 16 april 2013 mededeling heeft gedaan aan appellant dat hij onder bepaalde voorwaarden de dieren terug kan krijgen, maar daarbij niet vermeld heeft wat die voorwaarden zijn. Ook het daarop volgende bericht van verweerder van 29 april 2013 aan de advocaat van appellant meldt niet meer over deze voorwaarden dan in algemene termen: “Als de gezondheidstoestand van de in bewaring gegeven dieren dit toelaat, de huisvestingssituatie in orde is bevonden en de geschatte kosten, verbonden aan de bestuursdwang, vooraf aan ons zijn overgemaakt, kunnen de runderen aan u worden overgedragen”. Daarbij wordt voorts meegedeeld dat die geschatte kosten inmiddels € 54.280,-- bedragen. De daarop volgende brief- en emailwisseling tussen verweerder en de advocaat van appellant geeft evenmin voldoende duidelijkheid over de door verweerder gestelde voorwaarden, en is uitgemond in het verzoek van appellant om voorlopige voorziening, dat op 8 mei 2013 is ingediend en gevolgd is door een brief van 14 mei 2013 van verweerder aan het College, waarin wordt bevestigd dat de betrokken runderen niet worden vrijgegeven/verkocht zullen worden zolang de voorlopige voorziening-procedure loopt. De dieren blijven bij de opslaghouder, aldus verweerder in dit bericht. Op 21 mei 2013 heeft verweerder bij het College de stukken ingediend in voor de behandeling van deze zaak, waarna op 4 juni 2013 door de voorzieningenrechter op het verzoek van appellant is beslist.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/223f55f6c9a2ad38df864fe12ad34312ff18349b7d544c1d49f11668f10d18ed. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 223f55f6c9a2ad38df864fe12ad34312ff18349b7d544c1d49f11668f10d18ed, en de alinea staat in dat document op bytes 39933 tot 42398.