Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 20 februari 2014
Onder 3.4.1 College van Beroep voor het bedrijfsleven 20 februari 2014
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 20 februari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:69.
De accountantskamer heeft in de aangevallen uitspraak, samengevat weergegeven, overwogen dat niet in geschil is dat appellant klager niet heeft gehoord voordat hij zijn (concept)rapport uitbracht. Gesteld noch gebleken is dat appellant op andere wijze met klager contact heeft gehad alvorens zijn (concept)rapport uit te brengen. Dat betekent volgens de accountantskamer dat appellant niet op grond van hoor en wederhoor heeft kunnen vaststellen, alvorens hij zijn (concept)rapport uitbracht, dat het een deugdelijke grondslag had. Nu klager voorts onweersproken heeft aangevoerd dat de door appellant gerapporteerde en ten opzichte van de begroting als grootste aangewezen verschillen (tabel 5, pagina 15 van bijlage 1 bij het klaagschrift) zich laten verklaren door het feit dat appellant een essentieel verschil in enerzijds de geprognosticeerde baten en anderzijds de ontvangen baten heeft weggelaten en voorts drie van de zes grootste afwijkingen niet heeft besproken, terwijl daartoe volgens klager alle aanleiding bestond omdat daaruit gebleken zou zijn dat deze verschillen elkaar compenseren, moet alleen al daaruit worden geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld dat het door appellant uitgebrachte rapport een deugdelijke grondslag heeft. Met het niet kunnen vaststellen van een deugdelijke grondslag voor het uitgebrachte rapport volgt daaruit dat appellant dan ook ten minste wederhoor had dienen toe te passen, terwijl voorts in de rede had gelegen dat hij klager ook had gehoord om zo op adequate wijze rekening te houden met de belangen van klager. Bovendien staat, zo overweegt de accountantskamer verder, tussen partijen vast dat appellant het rapport reeds aan de Raad van Toezicht van [stichting] had toegestuurd voordat hij kennis had genomen van de op- en of aanmerkingen van klager op het conceptrapport. Appellant heeft in dit verband weliswaar gesteld dat hij klager in de gelegenheid heeft gesteld op zijn conceptrapport te reageren, maar de daarvoor door appellant aan klager gegunde termijn – van 23 april 2010 tot 30 april 2010 – acht de accountantskamer dermate kort dat deze mogelijkheid niet kan worden aangemerkt als een voldoende waarborg voor klager. De door appellant voor die korte termijn gegeven verklaring – de Raad van Toezicht van [stichting] had een bijeenkomst gepland in de eerste week van mei 2010 en wilde dan kunnen beschikken over deze rapportage – doet daaraan volgens de accountantskamer niet af, nu niet gesteld of gebleken is dat tegen uitstel van deze vergadering onoverkomelijke bezwaren zouden hebben bestaan. Het vorenstaande leidt de accountantskamer tot de conclusie dat appellant een rapport heeft uitgebracht waarin – onder meer – een oordeel wordt gegeven over het functioneren van klager alvorens klager voldoende gelegenheid is gegeven zijn zienswijze over een en ander kenbaar te maken en vervolgens van die zienswijze kennis te nemen. Daaruit volgt dat appellant niet heeft kunnen beoordelen óf het door hem uitgebrachte rapport een deugdelijke grondslag heeft en dus ook niet heeft kunnen oordelen dát zijn rapport een deugdelijk grondslag heeft.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4f82c772f23b48cfdec8dac230bc5353f06d4962210f9b223410b6bd4eaada77. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4f82c772f23b48cfdec8dac230bc5353f06d4962210f9b223410b6bd4eaada77, en de alinea staat in dat document op bytes 20583 tot 23754.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4f82c772f23b48cfdec8dac230bc5353f06d4962210f9b223410b6bd4eaada77 | shasum -a 256