Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 25 februari 2014
Onder 3.1 College van Beroep voor het bedrijfsleven 25 februari 2014
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 25 februari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:96.
De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen. Gelet op de wetssystematiek was voor appellante alleszins voorzienbaar dat zij aan AFM diende te melden dat betrokkene was betrokken in een strafrechtelijk onderzoek en in dat verband meerdere keren was gehoord als verdachte. Het betoog dat artikel 102 BGfo in strijd is met het bepaalbaarheidsgebod als neergelegd in artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), slaagt daarom niet. Het betoog van appellante dat het haar niet duidelijk was en kon zijn dat zij de verhoren van betrokkene aan AFM diende te melden, volgt de rechtbank niet. Gelet op onderdeel 2.4 van Bijlage C BGfo had voor appellante duidelijk moeten zijn dat zij die verhoren wel had moeten melden. De omstandigheid dat het Formulier Betrouwbaarheidsonderzoek op het desbetreffende onderdeel (vragen 2a en 2b) wellicht voor meer dan één uitleg vatbaar is, maakt dat niet anders. De rechtbank heeft daarbij voorts overwogen dat appellante dit formulier ook bij haar aanvraag van de vergunning tot bemiddeling heeft moeten indienen en dat die vragen in dat formulier (in die versie waren het de vragen 7a en 7b) waren voorzien van een toelichting en een verwijzing naar de beleidsregel betrouwbaarheidstoetsing. Raadpleging van die toelichting en de bedoelde beleidsregel zou hebben geleid tot positieve beantwoording van de vraag of de desbetreffende verhoren van betrokkene als verdachte door de politie moesten worden gemeld. Daar komt nog bij dat appellante met betrekking tot het niet juist, dan wel onvolledig invullen van juist deze vragen door AFM was gewaarschuwd in de begeleidende brief bij de verlening van de vergunning. De opgelegde bestuurlijke boete van € 1.000,- is in overeenstemming met het op grond van artikel 1:81 Wft (oud) vastgestelde Besluit boetes wft. Voor matiging van die boete ziet de rechtbank geen aanleiding. Zij is van oordeel dat de boete in het voorliggende geval niet als onevenredig hoog kan worden aangemerkt. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de beslissing als bedoeld in artikel 1:98 Wft tot publicatie na het rechtens onaantastbaar worden van de boeteoplegging in rechte stand kan houden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cff931cf027937a0e4108043915ff0d0e6dd638a4a142366acf73e678f6afa3c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cff931cf027937a0e4108043915ff0d0e6dd638a4a142366acf73e678f6afa3c, en de alinea staat in dat document op bytes 11140 tot 13557.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cff931cf027937a0e4108043915ff0d0e6dd638a4a142366acf73e678f6afa3c | shasum -a 256