Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 25 februari 2014

Onder 5.4 College van Beroep voor het bedrijfsleven 25 februari 2014

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 25 februari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:96.

Het betoog van appellante dat betrokkene geen aanleiding had te veronderstellen dat hij als verdachte had te gelden bij een strafbaar feit, slaagt niet. Uit de in 2.2 genoemde processen-verbaal van de verhoren van betrokkene blijkt dat aan betrokkene is medegedeeld van welke strafbare feiten hij werd verdacht, dat betrokkene zich ten aanzien van een aantal vragen heeft beroepen op zijn zwijgrecht, alsmede dat betrokkene de processen-verbaal (als verdachte) heeft ondertekend. Gelet hierop en op hetgeen onder 5.3 is overwogen, is het College van oordeel dat appellante artikel 102 BGfo heeft overtreden. Appellante had het horen van betrokkene als verdachte in het kader van een strafrechtelijk onderzoek moeten melden, maar heeft dat niet gedaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cff931cf027937a0e4108043915ff0d0e6dd638a4a142366acf73e678f6afa3c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cff931cf027937a0e4108043915ff0d0e6dd638a4a142366acf73e678f6afa3c, en de alinea staat in dat document op bytes 22680 tot 23444.