Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 31 maart 2015
Onder 3.5.4 College van Beroep voor het bedrijfsleven 31 maart 2015
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 31 maart 2015, ECLI:NL:CBB:2015:110.
De Gemeenten betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 5.7, eerste lid, van de Tw (oud) – thans artikel 5.8, eerste lid, van de Tw – het moment waarop een gedoogplichtige een verzoek tot verlegging doet als peilmoment is aan te merken en niet het moment waarop de verlegging feitelijk plaatsvindt. ACM en KPN c.s. stellen zich op het standpunt dat dit oordeel van de rechtbank over het peilmoment juist is. ACM verwijst in haar aanvullend verweer naar het arrest van de Hoge Raad van 16 december 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BT6685). In dat arrest heeft de Hoge Raad (onder 3.12), naar aanleiding van een betoog van de Staat met dezelfde strekking als dat van de Gemeenten in deze procedure, geoordeeld dat de opvatting dat de situatie ten tijde van de daadwerkelijke verplaatsing van de kabels bepalend is voor de beantwoording van de vraag wie als gedoogplichtige in de zin van art. 5.8, eerste lid, van de Tw moet worden aangemerkt in haar algemeenheid niet kan worden aanvaard. Het College komt tot eenzelfde oordeel. Deze grond faalt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/caed2ee4d3197b815e91a1ba7972f4b9af365469344233d32395ec23a76198bb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt caed2ee4d3197b815e91a1ba7972f4b9af365469344233d32395ec23a76198bb, en de alinea staat in dat document op bytes 31015 tot 32119.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/caed2ee4d3197b815e91a1ba7972f4b9af365469344233d32395ec23a76198bb | shasum -a 256