Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 10 april 2015
Onder 3.11 College van Beroep voor het bedrijfsleven 10 april 2015
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 10 april 2015, ECLI:NL:CBB:2015:120.
Het College ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder zich in het licht van de in artikel 8 van de Beleidsregels neergelegde criteria ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellante de randvoorwaarde opzettelijk niet heeft nageleefd. Dienaangaande overweegt het College als volgt. Met betrekking tot de in artikel 8 van de Beleidsregels neergelegde criteria heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) bij zijn arrest van 27 februari 2014 (C-396/12) vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beantwoord. Uit dit antwoord maakt het College op dat de in de Beleidsregels neergelegde benadering, waarbij de vraag of van opzettelijke overtreding gesproken kan worden wordt beoordeeld aan de hand van de zes in het eerste lid geformuleerde criteria en waarbij een hoge bewijswaarde wordt toegekend aan het criterium van het bestaan van een langdurig bestendig beleid, door het Hof toelaatbaar wordt geacht. Hierbij wordt echter aangetekend dat aan de overtreder de mogelijkheid gelaten moet worden om te bewijzen, dat hij zich niet op zodanige wijze heeft gedragen dat hij ofwel een toestand van niet-naleving van de randvoorwaarden trachtte te bewerkstelligen, ofwel, zonder dat hij dit doel voor ogen had, de mogelijkheid dat die niet-overeenstemming zich zou voordoen heeft aanvaard. Aldus leidt de beleidsregel tot een omkering van de bewijslast van de opzet, zoals het Hof die in randnummer 35 omschreven heeft. Met hetgeen appellante heeft aangevoerd heeft zij niet het bewijs geleverd dat geen sprake is van opzet. Voor zover appellante met haar stelling dat zij de randvoorwaarde niet kende wil betogen dat er geen opzet in het spel is, overweegt het College dat de norm om geen lichamelijke ingrepen bij een dier te verrichten waarbij een deel van het lichaam wordt verwijderd tenzij daarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat, is opgenomen in de “Wet van 24 september 1992 houdende vaststelling van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren” (Stb. 1992, 585) en in werking is getreden op 1 september 1996 (Stb. 1996, 399). De hier bedoelde norm is naar het oordeel van het College om die reden te beschouwen als langdurig bestendig beleid in de hier bedoelde zin. Daarom wordt appellante geacht de hier bedoelde norm en de uitwerking daarvan te kennen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/97becc8d609fad00ab277926f5354f4f465ee915c7368e1caca385e768659c70. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 97becc8d609fad00ab277926f5354f4f465ee915c7368e1caca385e768659c70, en de alinea staat in dat document op bytes 43940 tot 46271.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/97becc8d609fad00ab277926f5354f4f465ee915c7368e1caca385e768659c70 | shasum -a 256