Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 10 april 2015

Onder 3.15 College van Beroep voor het bedrijfsleven 10 april 2015

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 10 april 2015, ECLI:NL:CBB:2015:120.

Omtrent de gestelde verjaring van de vordering overweegt het College als volgt. Voorop staat dat verweerder op grond van het Europese recht de steun te allen tijde juist moet vaststellen. Artikel 73, eerste lid, van Verordening (EG). nr. 796/2004 bepaalt dat in geval van een onverschuldigde betaling de landbouwer het betrokken bedrag terugbetaalt. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat deze terugbetalingsverplichting niet geldt indien meer dan tien jaar is verstreken tussen de datum van betaling van de steun en de datum waarop de bevoegde autoriteit de begunstigde voor het eerst in kennis heeft gesteld dat de betrokken betaling onverschuldigd was. Het zesde lid van dit artikel bepaalt dat voor bedragen die moeten worden teruggevorderd als gevolg van kortingen en uitsluitingen overeenkomstig artikel 21 en titel IV in alle gevallen een verjaringstermijn van vier jaar geldt. Nu het in het geval van appellante gaat om kortingen overeenkomstig de genoemde titel IV geldt een verjaringstermijn van vier jaar. Voor zover de besluitvorming van verweerder terugvordering van de onverschuldigd betaalde bedragen inhoudt, stelt het College vast dat tussen het moment van de betaling in 2008 en het moment waarop appellante door middel van het besluit van 28 september 2011 voor het eerst in kennis is gesteld dat onverschuldigd is betaald, in elk geval minder dan vier jaar is gelegen. Daarnaast overweegt het College dat de stelling van appellante dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, EVRM niet kan slagen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) heeft in bestendige jurisprudentie immers geoordeeld dat door verordeningen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid uitgevaardigde sancties niet strafrechtelijk van aard zijn. Het College verwijst in dit verband naar het arrest van 18 november 1987 in de zaak 137/85 (Maïzena), Jur. bladzijde 4587, het arrest van 27 oktober 1992 in de zaak C-240/90 (Duitsland t. Commissie), Jur. bladzijde I-5383 en het arrest van 11 juli 2002 in de zaak C-210/00 (Käserei Champignon Hofmeister), Jur. 2002, bladzijde I-6453. De bepaling waarop appellante zich beroept, is hier dus niet van toepassing.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/97becc8d609fad00ab277926f5354f4f465ee915c7368e1caca385e768659c70. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 97becc8d609fad00ab277926f5354f4f465ee915c7368e1caca385e768659c70, en de alinea staat in dat document op bytes 50980 tot 53229.