Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 9 april 2015

Alinea 69 College van Beroep voor het bedrijfsleven 9 april 2015

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 9 april 2015, ECLI:NL:CBB:2015:121.

10. Appellante heeft niet betwist dat AFM de boete in overeenstemming met de daarvoor geldende regelgeving heeft vastgesteld op een bedrag van € 192.000,--. De rechtbank heeft deze boete gematigd tot 50% daarvan omdat, aldus de rechtbank, kan worden aangenomen dat door het handelen van appellante geen consumenten of cliënten zijn benadeeld. Vervolgens heeft de rechtbank het aldus verkregen bedrag van € 96.000,-- nog eens verminderd met 5% daarvan (€ 4.800,--) wegens overschrijding van de redelijke termijn met 4 maanden. In hoger beroep is slechts in geschil of de boete verder dient te worden gematigd. Het College ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding om de boete verder te matigen dan de rechtbank heeft gedaan. Zoals hiervoor in r.o. 7 reeds is overwogen is het College van oordeel dat geen sprake is van (slechts) enkele incidenteel gepleegde overtredingen, maar is voldoende aannemelijk dat de door AFM geselecteerde gesprekken (deelwaarneming 1) een beeld geven van een bij appellante gangbare praktijk. De omstandigheid dat de gegeven adviezen niet hebben geleid tot financieel voordeel voor appellante is, zoals AFM terecht heeft aangevoerd, in dit verband niet relevant. Met de omstandigheid dat de cliënten van appellante niet zijn benadeeld heeft de rechtbank reeds – in afdoende mate – rekening gehouden door de boete met 50% te matigen. Zoals hiervoor in r.o. 6 is overwogen, zijn de criteria aan de hand waarvan kan worden bepaald of al dan niet sprake is van beleggingsadvies direct kenbaar uit de Wft, de MiFID en de MiFID Uitvoeringsrichtlijn en tevens voldoende duidelijk. Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn overweegt het College als volgt. De redelijke termijn neemt een aanvang vanaf het moment waarop een handeling is verricht waaraan betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete zal worden opgelegd. Het College is evenals de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn in deze zaak een aanvang heeft genomen op 24 september 2010, de datum waarop aan appellante het voornemen tot boeteoplegging is meegedeeld en haar het rapport van bevindingen is toegestuurd. Naar het oordeel van het College kan in dit geval het uitgangspunt worden gehanteerd dat de redelijke termijn is overschreden als niet binnen vier jaar nadat deze termijn is aangevangen uitspraak op het hoger beroep wordt gedaan. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn in totaal met meer dan een half jaar, maar minder dan één jaar is overschreden. Naar het oordeel van het College zou de in verband hiermee toe te passen vermindering van de boete 10% belopen, met een maximum van € 2.500,--. Dit betekent dat ook hierin geen aanleiding gevonden wordt om de boete verder te matigen dan de rechtbank reeds heeft gedaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bbadc13b49fe2b55df45cad68bd696a43607790dc59dce6b7d592fc1b9c7e29a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bbadc13b49fe2b55df45cad68bd696a43607790dc59dce6b7d592fc1b9c7e29a, en de alinea staat in dat document op bytes 32453 tot 35317.