Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 21 juli 2015
Onder 3.1 College van Beroep voor het bedrijfsleven 21 juli 2015
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 21 juli 2015, ECLI:NL:CBB:2015:205.
Het College deelt niet de opvatting van appellante dat verweerder bij het bestreden besluit een onjuiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 9 april 2014. Het College heeft bij die uitspraak het besluit op bezwaar van 6 augustus 2012 wegens een daaraan klevend motiveringsgebrek vernietigd. Dat betekent dat verweerder opnieuw op het door appellante tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar diende te beslissen. Uit artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat op grondslag van de bezwaren een heroverweging van het primaire besluit plaatsvindt. Blijkens vaste jurisprudentie (zie onder meer de uitspraak van het College van 22 september 2009, ECLI:NL:CBB:2009: BJ8798) blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Awb dat de bezwaarprocedure bedoeld is voor een volledige heroverweging die niet gebonden is aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Ook wanneer na een vernietiging door het bestuursorgaan een nieuw besluit op bezwaar moet worden genomen dient in beginsel te worden besloten met inachtneming van alle feiten en omstandigheden, zoals die zijn op het tijdstip van de heroverweging (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7744). De uitspraak van het College van 9 april 2014 geeft geen aanleiding om in dit geval af te wijken van dat uitgangspunt. Verweerder heeft, voor zover thans van belang, aan de hand van door appellante op 27 mei 2014 verstrekte informatie opnieuw beoordeeld of appellante voldoet aan erkenningsvoorwaarde E van Bijlage 1 van de Verordening. Verweerder heeft in het bestreden besluit geoordeeld dat appellante daaraan niet voldoet en heeft deze afwijzingsgrond opnieuw ten grondslag gelegd aan de afwijzing van de aanvraag om erkenning. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit geoordeeld dat hij – kort gezegd – aan appellante voor het Gelderse ras geen erkenning als instelling voor het bijhouden van een moederstamboek kan verlenen, omdat KWPN al als instelling voor het bijhouden van een moederstamboek voor het ras Gelders paard is erkend. Verweerder heeft aldus in het kader van de volledige heroverweging een – ten opzichte van het primaire besluit en het besluit op bezwaar van 6 augustus 2012 – nieuwe afwijzingsgrond ten grondslag gelegd aan de afwijzing van de aanvraag om erkenning. Over deze afwijzingsgrond overweegt het College als volgt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f9e98150b815f4c82aa46f111fddd6a7b8170372faee5e86063580a6bea216e7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f9e98150b815f4c82aa46f111fddd6a7b8170372faee5e86063580a6bea216e7, en de alinea staat in dat document op bytes 13158 tot 15634.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f9e98150b815f4c82aa46f111fddd6a7b8170372faee5e86063580a6bea216e7 | shasum -a 256