Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 6 juli 2015

Onder 3.3 College van Beroep voor het bedrijfsleven 6 juli 2015

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 6 juli 2015, ECLI:NL:CBB:2015:233.

De rechtbank heeft voorts ten onrechte geoordeeld dat de overtreding aan appellanten kan worden verweten. Van een overtreding die redelijkerwijs aan hen kan worden toegerekend is geen sprake. Appellanten stellen niets van de 31 op 25 maart 2009 en in de periode van 9 april 2009 tot en met 11 april 2009 aangevoerde vrachten mest te hebben geweten. Zij hebben wel mest besteld bij [naam 6], maar dat gaat niet om deze vrachten. De door hen bestelde mest hebben appellanten geregistreerd bij de Dienst Regelingen. De niet geregistreerde mest is, zo heeft [naam 6] verklaard, door de broers [naam 7] besteld. Appellanten hebben de mest ook niet betaald en hebben de mest niet laten uitrijden. Zij hebben voor deze vrachten geen enkele bemoeienis gehad met de uitbetaling van de loonwerkers. De percelen waarover de mest zou zijn uitgereden bevinden zich op 20 kilometer afstand van de huiskavel van appellanten. Zij hadden daar dus niet direct zicht op. Appellanten stellen ten slotte dat zij aanvankelijk zelf de verklaringen van [naam 6] hebben ingebracht en hem hebben meegenomen als getuige naar de zitting van de rechtbank. Zij realiseren zich – achteraf – dat hij onbetrouwbaar is en dat zij het slachtoffer zijn geworden van criminele praktijken. Om die reden hebben zij ook een andere raadsman in de arm genomen, die niet zoals de vorige raadsman, betaald wordt door [naam 6]. Met klem willen zij benadrukken dat er geen sprake is van een crimineel samenwerkingsverband waar zij deel van uit maken. Zij hebben inmiddels aangifte gedaan tegen [naam 6] en zijn een procedure wegens wanprestatie begonnen. De berekening van het boetebedrag voor de overschrijding van de fosfaatnorm is voor appellanten onnavolgbaar. Naar hun indruk is sprake van dubbeltellingen in strijd met artikel 57 Msw. Appellanten zijn van mening dat de boete moet worden gematigd. Het is de eerste keer dat zij in hun bedrijfsvoering te maken hebben gehad met het uitrijden van teveel mest en dit geheel tegen hun wil en buiten hun schuld. Zij hebben direct geïnvesteerd in een eigen systeem van mestopslag met voldoende opslagcapaciteit om het uitrijden van mest geheel zelfstandig uit te kunnen voeren. Het opbrengen van extra mest leidt niet tot meeropbrengsten, maar is juist ongunstig voor de teelt van aardappelen. Nu zij ook geen vergoeding hebben ontvangen voor de illegaal uitgereden mest hebben zij geen economisch voordeel behaald. Appellanten wijzen in dit verband op de uitspraak van het College van 28 februari 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BV8605. Ook op grond van de beperkte financiële draagkracht van appellanten ligt matiging van de boete in de rede. Ten slotte heeft de procedure onredelijk lang geduurd. Tussen het opmaken van het boeterapport en de verzending van het primaire boetebesluit ligt meer dan een half jaar, zodat al om die reden aanspraak gemaakt kan worden op matiging met 10%. Voorts is de redelijke termijn tussen de aanvang van de strafvervolging en zowel de uitspraak van de rechtbank als de uitspraak in hoger beroep overschreden. De matiging zou naar de mening van appellanten ten minste 25% moeten bedragen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d5ad10be33ec88f56b3b3a4f973d26709adb239ed8d84fe51e47eb4cbe664153. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d5ad10be33ec88f56b3b3a4f973d26709adb239ed8d84fe51e47eb4cbe664153, en de alinea staat in dat document op bytes 14405 tot 17570.