Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 6 juli 2015
Onder 3.5 College van Beroep voor het bedrijfsleven 6 juli 2015
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 6 juli 2015, ECLI:NL:CBB:2015:233.
Het College heeft reeds eerder geoordeeld (zie onder meer voormelde uitspraak van 12 april 2012 en de uitspraak van 5 november 2013, ECLI:NL:CBB:2013:223) dat uit het systeem van de artikelen 7 en 8 van de Msw alsmede de wetsgeschiedenis blijkt dat het systeem van normstelling, waarin de wetgever bij invoering van de gebruiksnormen heeft voorzien, uitgaat van een algeheel verbod op het op of in de bodem brengen van meststoffen, waaraan de agrariër die meststoffen heeft gebruikt slechts kan ontkomen als aan de voorwaarden voor opheffing van het verbod is voldaan. De materiële bewijslast ten aanzien van de naleving van de gebruiksnormen ligt volgens dit systeem dus primair bij degene die de meststoffen op of in de bodem brengt of laat brengen. De weg waarlangs het aannemelijk maken van naleving van de gebruiksnormen geschiedt, ligt in zoverre vast dat de wet niet alleen regelt aan de hand van welke elementen wordt bepaald hoeveel stikstof of fosfaat op of in de bodem is gebracht, maar bovendien de agrariër de verplichting oplegt om, mede ten behoeve daarvan, bepaalde gegevens over de meststoffenhuishouding van het landbouwbedrijf te administreren en over te leggen. Dit neemt niet weg dat de agrariër aan de hand van alternatieve gegevens en bepalingswijzen die voldoende zijn onderbouwd en betrouwbaar zijn om als bewijs te kunnen dienen, aannemelijk kan maken dat de gebruiksnormen niet zijn overschreden. Dat degene die in weerwil van het algehele verbod van artikel 7 van de Msw meststoffen op of in landbouwgrond brengt, dient te verantwoorden dat hij de voor het betreffende jaar geldende gebruiksnorm(en) niet overschrijdt, laat onverlet dat de staatssecretaris, indien hij ter zake een bestuurlijke boete wil opleggen, op basis van concrete feiten en omstandigheden dient aan te tonen dat de overtreding is begaan. Voor een lichtere bewijslast voor appellanten dan uit dit wettelijke systeem voortvloeit, zoals door appellanten bepleit, ziet het College geen aanleiding. Daarbij merkt het College specifiek met betrekking tot de onderhavige zaak op dat, nu de gestelde overtreding niet is gebaseerd op door appellanten geadministreerde gegevens over de meststoffenhuishouding van het bedrijf, maar op gestelde aanvoer van mest buiten de meststoffenboekhouding om, het geleverde bewijs door verweerder over deze aanvoer is aangedragen op basis van door hem zelf verzamelde gegevens. Over de waardering van dit bewijs zal het College hieronder oordelen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d5ad10be33ec88f56b3b3a4f973d26709adb239ed8d84fe51e47eb4cbe664153. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d5ad10be33ec88f56b3b3a4f973d26709adb239ed8d84fe51e47eb4cbe664153, en de alinea staat in dat document op bytes 18065 tot 20583.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d5ad10be33ec88f56b3b3a4f973d26709adb239ed8d84fe51e47eb4cbe664153 | shasum -a 256