Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 17 juli 2015

Onder 6.1. College van Beroep voor het bedrijfsleven 17 juli 2015

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 17 juli 2015, ECLI:NL:CBB:2015:259.

Artikel 3, eerste lid, van de Winkeltijdenwet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid bij verordening vrijstelling te verlenen van de in artikel 2 vervatte verboden, waaronder het verbod op zondagen open te zijn. Van deze bevoegdheid heeft de gemeenteraad gebruik gemaakt. Gelet op de in 5. weergegeven toelichting en de nadere uiteenzetting van verweerders is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de gemeenteraad bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de in artikel 9m van Verordening winkeltijden 2011 neergelegde vrijstelling. De voorzieningenrechter merkt daarbij wel op dat hoewel de voorzieningenrechter de opvatting van verweerders deelt dat de door verzoekers naar voren gebrachte belangen primair een rol spelen bij de planologische belangenafweging, niet gezegd kan worden dat de belangen van lokale bewoners in het geheel geen rol spelen bij de keuze om gebruik te maken van de vrijstellingsmogelijkheden in de Winkeltijdenwet. Zoals eerder overwogen in de uitspraak van 6 maart 2015 (ECLI:NL:CBB:2015:59) is het gelet op de memorie van toelichting (MvT) bij de Winkeltijdenwet buiten twijfel dat niet alleen economische belangen, meer in het bijzonder concurrentieafwegingen, voor de wetgever de overweging vormden om de beslissing omtrent het vrijstellen van het verbod op zondag geopend te zijn aan de gemeente over te laten. Uit de MvT blijkt uitdrukkelijk dat ook een overweging was dat daarmee beter aangesloten kon worden bij de wensen van lokale bewoners en dat belangen van zowel ondernemers als bewoners zorgvuldig in het oordeel van de gemeente dienen te worden afgewogen. In dit geval is echter niet zonder belang dat kunstateliers en galeries al lange tijd een specifieke positie innemen in het oorspronkelijk landelijk geldende besluit inzake ontheffingen van de winkelsluitingswet en vervolgens in de door de gemeente [plaats 2] vastgestelde verordeningen, met als achtergrond dat de mogelijkheid voor kunstenaars om werk tentoon te stellen en te verkopen niet te veel moet worden beperkt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de bezwaren van verzoekers, die heel specifiek betrekking hebben op één locatie, op voorhand niet dusdanig zwaarwegend dat, in het kader van een voorlopige voorzieningsprocedure, zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht, geoordeeld moet worden dat de gemeenteraad in redelijkheid niet tot het betreffende voorschrift heeft kunnen komen. Daarbij speelt mee dat niet uitgesloten is dat de door verzoekers naar voren gebrachte problematiek niet, of althans niet in overwegende mate, wordt veroorzaakt door de openstelling van de galerie, maar door de daarbij behorende horeca en de voorwaarden die aan de (onherroepelijke) horecavergunning verbonden zijn, zodat met de sluiting van de galerie de door hun beleefde overlast niet direct beëindigd hoeft te zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/75a0c23e9ab5dbc7d7d74c984bcf4103e4d15fc48ed93f17e708937c00e373b8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 75a0c23e9ab5dbc7d7d74c984bcf4103e4d15fc48ed93f17e708937c00e373b8, en de alinea staat in dat document op bytes 12708 tot 15645.