Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 25 augustus 2015

Onder 7.6 College van Beroep voor het bedrijfsleven 25 augustus 2015

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 25 augustus 2015, ECLI:NL:CBB:2015:285.

Het College overweegt dat het in de richtlijnbepaling gaat om een nevengeschikte voorwaarde, die niet wordt geacht reeds in de beschreven feiten te zijn vervat. Hieruit volgt dat bij de beoordeling of als gevolg van de niet-nakoming door de handelaar van verplichtingen die zijn opgenomen in een gedragscode waaraan hij zich heeft gebonden sprake is van misleidende handelingen, vastgesteld moet worden of als gevolg van de niet-nakoming sprake is van beïnvloeding van de consument. Het is derhalve geen automatisme om aan te nemen dat deze beïnvloeding aanwezig is. Het College vindt voor dit oordeel steun in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) van 19 december 2013 (C-281/12, Trento Sviluppo srl, punt 33), waarin het Hof van Justitie oordeelde dat om als “misleidend” in de zin van artikel 6, eerste lid, van Richtlijn 2005/29 te worden aangemerkt, een handelspraktijk met name van dien aard moet zijn dat zij de consument ertoe kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen. Daarbij zij overigens toegegeven dat de formulering van het eerste en tweede lid van artikel 6 van de Richtlijn niet geheel gelijk is, maar dat rechtvaardigt naar het oordeel van het College niet de keuze voor een a contrario-uitleg. In de eerder aangehaalde uitspraak van het College van 30 januari 2014 heeft het College geoordeeld dat artikel 6:193c, eerste lid, aanhef en onder b, BW ziet op de situatie dat de handelaar door het verstrekken van informatie die feitelijk onjuist is of misleidend is of kan zijn, de gemiddelde consument op het verkeerde been heeft gezet of heeft kunnen zetten. Het woord “waardoor” brengt tot uitdrukking dat die feitelijke onjuiste of misleidende informatie het geschikte middel moet zijn om de gemiddelde consument tot een overeenkomst te doen besluiten. Met de zinsnede “besluit over een overeenkomst” wordt blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet OHP (blz. 14) bedoeld een door de consument genomen besluit over de vraag of, en, zo ja, hoe en op welke voorwaarden hij een product koopt, geheel of gedeeltelijk betaalt, behoudt of van de hand doet, of een contractueel recht uitoefent in verband met het product, ongeacht of de consument wel of niet tot handelen overgaat.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/140dda7616194f2cec99f2d4d574e101723de23f08181d2ee529a78deb9c5d9b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 140dda7616194f2cec99f2d4d574e101723de23f08181d2ee529a78deb9c5d9b, en de alinea staat in dat document op bytes 54896 tot 57202.