Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 3 maart 2015
Onder 4.3 College van Beroep voor het bedrijfsleven 3 maart 2015
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 3 maart 2015, ECLI:NL:CBB:2015:62.
Feitelijk kreeg in het verdienmodel van appellante een niet bedrijfs- of beroepsmatig handelende natuurlijke persoon gedurende een korte periode de beschikking over een geldsom, waarna een geldstroom plaatsvond ten laste van deze persoon naar appellante, ter hoogte van het ter beschikking gestelde bedrag, vermeerderd met een aanzienlijke verhoging (van 25% of meer van het ter beschikking gestelde bedrag). De natuurlijke persoon kreeg het bedrag dus niet blijvend in handen. Voor de natuurlijke persoon voorzag dit geldbedrag in de economische behoefte aan een krediet, zoals blijkt uit de website van appellante, waarin de dienst van appellante nadrukkelijk wordt gepresenteerd als alternatief voor een lening. De vervulling van die behoefte was formeel juridisch door appellante anders vorm gegeven, maar dat maakt geen doorslaggevend verschil, nu feitelijk werd voldaan aan de economische behoefte van consumenten aan krediet. De terugbetalingsverplichting was, zoals hierboven weergegeven, strikt contractueel vastgelegd. Daarbij was in het modelcontract noch in de algemene voorwaarden een clausule opgenomen voor het geval de vordering voor de verkoper/lasthebber bij de debiteur oninbaar bleek te zijn. De verhoging bij de terugbetaling ten voordele van appellante was de vergoeding voor appellante voor het ter beschikking stellen van de geldsom, immers daarop berustte haar verdienmodel, en is daarom te kwalificeren als betaald ter zake van het ter beschikking stellen van die geldsom. Daarmee is voldaan aan de elementen van “krediet” in artikel 1:1 Wft, namelijk dat aan een consument een geldsom ter beschikking wordt gesteld ter zake waarvan de consument gehouden is een betaling te verrichten. Voor zover in het aanvullend hogerberoepschrift nog is aangevoerd dat niet zou zijn voldaan aan de definitie van krediet aangezien niet aan de definitie van “consument” als element van de definitie zou zijn voldaan, omdat in de definitie van “consument” sprake is van een financiële dienst verleend door een financiële onderneming, wat appellante niet zou zijn, ziet appellante eraan voorbij dat een financiële onderneming ook de financieel dienstverlener is die een financieel product aanbiedt, waaronder ook krediet is begrepen. Deze definities in onderlinge samenhang maken dat als aan de overige elementen van de definitie van krediet is voldaan, daarmee de aanbieder van dat krediet kwalificeert als financiële onderneming.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/15919a1ab9691437c46ab03ffb1ec5a5b4c0b0916d4039506d4d4cb7db5c1517. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 15919a1ab9691437c46ab03ffb1ec5a5b4c0b0916d4039506d4d4cb7db5c1517, en de alinea staat in dat document op bytes 21734 tot 24204.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/15919a1ab9691437c46ab03ffb1ec5a5b4c0b0916d4039506d4d4cb7db5c1517 | shasum -a 256