Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 15 juni 2016
Onder 3.1 College van Beroep voor het bedrijfsleven 15 juni 2016
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 15 juni 2016, ECLI:NL:CBB:2016:149.
Appellanten hebben gesteld dat toepassing van de Wet verantwoorde groei melkveehouderij in strijd is met de rechtszekerheid, de Grondwet en artikel 1 van het EP omdat de ingevoerde maatregelen het ongestoord genot van hun eigendom aantasten, zonder dat daar schadevergoeding tegenover staat. Appellanten hebben erop gewezen dat de wet geen rekening houdt met knelgevallen zoals melkveehouders die als gevolg van ziekte onder de veestapel in 2013 minder dieren hadden of melkveehouders die vanwege eigen gezondheidsproblemen in een overmachtssituatie zaten of melkveehouders die hebben geïnvesteerd in vergunningen, maar de vergunde situatie nog niet hadden gerealiseerd in 2013. In dit verband wijzen appellanten er ook op dat de bestreden maatregelen pas eind 2013 bekend zijn gemaakt, waardoor zij daarop niet hebben kunnen anticiperen. Tevens zijn appellanten sub 21 tot en met 25 van mening dat het onrechtmatig is dat de primaire besluiten pas zijn genomen nadat al een deel van het kalenderjaar 2015 verstreken was, waardoor appellanten in dat deel van het kalenderjaar niet wisten hoe groot hun MVFR zou zijn. Daarnaast hebben appellanten aangevoerd dat de keuze voor (alleen) 2013 als referentiejaar onzorgvuldig tot stand is gekomen. Voorts wijzen appellanten sub 21 tot en met 25 erop dat de keuze om de forfaitaire normen van 2015 toe te passen tot onevenredig nadeel leidt. Dit betekent immers dat extra moet worden geïnvesteerd in mestverwerking en/of ingebruikneming van grond. Ook is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van melkveehouders door alle grond die in gebruik was bij het bedrijf in 2013 mee te tellen, zonder daarbij te betrekken of grond al dan niet structureel in gebruik was. Het berekende bedrijfsoverschot is daardoor niet realistisch. Ten slotte voeren appellanten sub 21 tot en met 25 aan dat de overdrachtsbeperkingen onevenredige gevolgen hebben. Het kan ertoe leiden dat de bedrijven onverkoopbaar worden. Appellanten sub 1 tot en met 20 achten het voorts in strijd met het gelijkheidsbeginsel en willekeurig dat in andere gevallen, zoals voor de bedrijfsovername in artikel 21a, derde lid, van de Msw, wel een regeling voor knelgevallen is opgenomen. Gelet op het ontbreken van een knelgevallenregeling en de onvoorzienbaarheid van de regelgeving, behoren de gevolgen van de wet volgens deze appellanten niet zonder meer tot het ondernemingsrisico. Naar de mening van appellanten 3 tot en met 7, 9 tot en met 13 en 16 tot en met 20 heeft verweerder verder ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08ebff82d1f91cd0bd19d81682ada11c49729384fbd5949186f352e7dc55bdd3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08ebff82d1f91cd0bd19d81682ada11c49729384fbd5949186f352e7dc55bdd3, en de alinea staat in dat document op bytes 28660 tot 31226.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/08ebff82d1f91cd0bd19d81682ada11c49729384fbd5949186f352e7dc55bdd3 | shasum -a 256