Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 15 juli 2016
Alinea 21 College van Beroep voor het bedrijfsleven 15 juli 2016
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 15 juli 2016, ECLI:NL:CBB:2016:211.
4. De staatssecretaris heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het feit dat appellante een gering economisch voordeel heeft genoten niet kan worden beschouwd als een bijzondere omstandigheid op basis waarvan de boete moet worden gematigd. Ter ondersteuning van zijn standpunt wijst de staatssecretaris erop dat de wetgever, zoals de rechtbank overweegt, bij de bepaling van de boetebedragen bij overschrijding van de gebruiksnormen al rekening heeft gehouden met het feit dat het daadwerkelijke economische voordeel geringer kan zijn dan de helft van het boetebedrag. De staatssecretaris wijst in dit verband naar de uitspraak van het College van 21 mei 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:CA2239). Dat appellante niet onvoldoende meststoffen heeft afgevoerd, maar juist teveel meststoffen heeft aangevoerd, maakt dit volgens de staatssecretaris voor appellante niet anders. Daarbij wijst de staatssecretaris erop dat het wederrechtelijk verkregen voordeel weliswaar, zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting, is gekoppeld aan de besparing van kosten voor mestafzet over langere afstand, maar de wetgever heeft volgens de staatssecretaris bewust geen onderscheid willen maken tussen producenten of leveranciers van mest enerzijds en afnemers van mest anderzijds. Het zijn van afnemer en de daarmee gepaard gaande andere aard van het economisch voordeel zijn daarom volgens de staatssecretaris geen bijzondere omstandigheden waar de wetgever geen rekening mee heeft gehouden. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst de staatssecretaris naar een uitspraak van het College van 28 februari 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BV8605) waaruit volgens de staatssecretaris blijkt dat in de zaak die tot die uitspraak heeft geleid niet de aard van het economisch voordeel – de wijze waarop het economisch voordeel is genoten – maar het bedrag – het beduidend geringere economisch voordeel dan de wetgever voor ogen heeft gestaan – relevant was voor beantwoording van de vraag of de boete onverkort kon worden gehandhaafd. Ten aanzien van de financiële draagkracht van appellante heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat appellante de boete, gelet op de winst die blijkens de door haar overgelegde financiële stukken is gemaakt in de afgelopen jaren, in drie jaren moet kunnen aflossen. De draagkracht van appellante vormt dan ook geen reden tot matiging.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b94c6787802f3a04529c625860b491f272c030167cb443ced47c6f0aeaa24058. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b94c6787802f3a04529c625860b491f272c030167cb443ced47c6f0aeaa24058, en de alinea staat in dat document op bytes 12339 tot 14727.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b94c6787802f3a04529c625860b491f272c030167cb443ced47c6f0aeaa24058 | shasum -a 256