Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 13 september 2016
Onder 5.2 College van Beroep voor het bedrijfsleven 13 september 2016
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 13 september 2016, ECLI:NL:CBB:2016:305.
Het College volgt in dit verband voorts niet het betoog van appellant dat de accountantskamer geen of onvoldoende oog heeft gehad voor de eigen professionele oordeelsvorming van de accountant, die in het algemeen en bij de subjectieve indicatoren van artikel 16 van de Wwft in het bijzonder een belangrijke rol speelt. Voor zover appellant stelt dat hij kon menen niet tot het melden van een ongebruikelijke transactie gehouden te zijn, omdat sprake was van een politieonderzoek naar – onder andere – [naam 3] en [naam 4] en de politie over meer informatie bleek te beschikken dan hij, onderschrijft het College hetgeen de accountantskamer in overweging 4.4.2 dienaangaande heeft overwogen. De professionele oordeelsvorming van de accountant in het kader van artikel 16, eerste lid, van de Wwft is gericht op de vraag of een transactie een ongebruikelijk karakter heeft of niet. Beantwoordt de accountant die vraag bevestigend, dan dient hij de transactie te melden. De omstandigheid dat de accountant ervan op de hoogte is dat een hem gebleken ongebruikelijke transactie al bij een opsporingsdienst bekend is, ontslaat hem niet van zijn meldingsplicht. Het ligt niet op zijn weg te speculeren over de vraag waarop het onderzoek van de opsporingsdienst is gericht of zich nog zal richten, over welke informatie deze opsporingsdienst beschikt, laat staan over de vraag of, en zo ja welke, informatie bij andere instanties bekend is. Het College kan zich eveneens vinden in het oordeel van de accountantskamer – in overweging 4.4.3 – ten aanzien van de stelling van appellant dat uit het feit dat FIU-NL volgens de ‘dissemination notification’ van 17 december 2013 elf van de zestien door hem gemelde transacties niet heeft geaccepteerd, blijkt dat zijn afweging destijds om niet tot melding over te gaan op zijn minst aanvaardbaar was. Ter beoordeling van de tuchtrechter staat immers slechts of appellant op het moment dat hij van de transactie(s) op de hoogte raakte op goede gronden de afweging heeft gemaakt dat deze niet als ongebruikelijke transactie(s) hoefde(n) te worden gemeld. De door appellant genoemde overwegingen en beslissingen van de FIU-NL kunnen bij de indertijd door hem gemaakte afweging geen rol hebben gespeeld en doen bij de beoordeling van zijn handelen en/of nalaten bovendien niet ter zake omdat door FIU-NL een andere afweging wordt gemaakt, namelijk of de transacties als verdacht moeten worden aangemerkt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f1edd2f08baba939722398162e0f142fbce4a925dfa4d7e89baf758cdd5677b4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f1edd2f08baba939722398162e0f142fbce4a925dfa4d7e89baf758cdd5677b4, en de alinea staat in dat document op bytes 13489 tot 15949.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f1edd2f08baba939722398162e0f142fbce4a925dfa4d7e89baf758cdd5677b4 | shasum -a 256