Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 13 september 2016

Onder 6.2 College van Beroep voor het bedrijfsleven 13 september 2016

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 13 september 2016, ECLI:NL:CBB:2016:305.

Appellant is van mening dat de accountantskamer met het in de overwegingen 4.5.1 tot en met 4.5.5 van de bestreden uitspraak ten aanzien van klachtonderdeel b gegeven oordeel buiten de klacht is getreden. Het verwijt dat hij het conceptueel raamwerk niet (juist) zou hebben toegepast was geen onderdeel van de door BFT ingediende klacht, is door appellant niet zo opgevat en is ook niet opgenomen in de weergave van de klacht in de bestreden uitspraak. Het debat tussen partijen zag op de vastlegging in zijn dossier door appellant van het al dan niet doen van een melding, terwijl het oordeel van de accountantskamer ten aanzien van klachtonderdeel b daar nauwelijks over gaat. Voor zover appellant op basis van het per 1 januari 2015 geldende procesreglement van de accountantskamer in zijn verweerschrift en/of ter zitting (desgevraagd) moet toelichten of, en zo ja hoe, hij ter zake van de hem verweten gedragingen het conceptueel raamwerk uit de VGC heeft toegepast, dan wel zich – vanaf 1 januari 2014 – heeft gehouden aan het bepaalde in de artikelen 20 tot en met 22 van de VGBA, en op welke wijze daarvan aantekening in het accountantsdossier is gehouden, voert appellant aan dat dit reglement niet gold ten tijde van de klacht en ook nog niet was aangekondigd. Appellant heeft zich daar niet op kunnen voorbereiden. Ter zitting werd hierover slechts één vraag gesteld, die hij heeft beantwoord. Er is verder geen inhoudelijk debat over geweest. Volgens appellant moeten de overwegingen van de accountantskamer over het conceptueel raamwerk worden aangemerkt als een uitbreiding van de klacht ter zitting, hetgeen volgens vaste jurisprudentie van het College ontoelaatbaar is. Bovendien heeft appellant op de hem ter zitting gestelde vraag geantwoord dat hij het conceptueel raamwerk heeft toegepast door diverse vastleggingen te doen in ‘CaseWare’ omtrent zijn afwegingen, het natrekken van leveranciers, het checken van de administratie, het aangaan van de cliëntrelatie, enzovoorts. Aangezien hij niet op deze vraag voorbereid was en hoefde te zijn heeft hij deze vastleggingen destijds niet in geding gebracht (en is dat ook thans niet aan hem daar dit geen onderdeel uitmaakt van de klacht). De suggestie van BFT dat het het volledige dossier heeft ingezien en gekopieerd is onjuist. BFT heeft om specifieke bescheiden gevraagd en is niet ingegaan op de mededeling van appellant dat hij meer bescheiden had. Appellant vindt dat hem vervolgens niet kan worden verweten dat de vastlegging in zijn dossier niet deugt. Voorts blijkt uit zijn dossiernotities dat hij zich ook gedurende de cliëntrelatie met [naam 4] bewust was van en gereageerd heeft op bedreigingen en zich heeft afgevraagd of hij die relatie kon voortzetten. Deze notities bewaarde appellant op zijn eigen computer, omdat in het verleden was voorgekomen dat een medewerker een bepaald document per ongeluk had gewist en appellant dat in dit geval wilde voorkomen. De informatie was echter voor anderen op zijn kantoor bereikbaar. Appellant meent aan NVCOS 4410.10 te hebben voldaan. Anders dan de accountantskamer meent, is niet vereist dat dergelijke notities aan het (papieren) cliëntdossier worden toegevoegd. Deze overwegingen (onder 4.5.4 van de bestreden uitspraak) gaan bovendien de klacht te buiten en zijn onvoldoende om een tuchtrechtelijk verwijt op te baseren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f1edd2f08baba939722398162e0f142fbce4a925dfa4d7e89baf758cdd5677b4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f1edd2f08baba939722398162e0f142fbce4a925dfa4d7e89baf758cdd5677b4, en de alinea staat in dat document op bytes 19157 tot 22534.