Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2016

Onder 2.4 College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2016

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2016, ECLI:NL:CBB:2016:313.

De beroepsgrond van appellante dat zij geen activiteiten heeft verricht in de uitoefening van een bedrijf, faalt naar het oordeel van de rechtbank eveneens. Met haar stelling dat de factor arbeid in haar geval ontbreekt, gaat appellante voorbij aan de werkzaamheden die [naam 2] volgens zijn op 1 december 2011 afgelegde verklaring namens haar in het kader van de bemiddelingsovereenkomst met [naam 6] heeft verricht. Nog daargelaten dat geen sprake is van incidentele werkzaamheden, heeft appellante niet aangetoond dat het verlenen van beleggingsdiensten noodzakelijkerwijs en rechtstreeks voortvloeit uit haar andere werkzaamheden. Nu appellante voor het verlenen van de beleggingsdiensten bovendien een provisie heeft ontvangen, bestaat er geen grond voor het oordeel dat zij deze diensten niet in de uitoefening van haar bedrijf heeft verleend.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d91f44f1bba9553accf915575c6e7cb233f6c4f697db15fa0bed993d7cab4894. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d91f44f1bba9553accf915575c6e7cb233f6c4f697db15fa0bed993d7cab4894, en de alinea staat in dat document op bytes 12552 tot 13415.