Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2016
Onder 6.2.4 College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2016
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 4 oktober 2016, ECLI:NL:CBB:2016:313.
Het College stelt voorop dat het aan appellante is om aannemelijk te maken dat op het moment van het opleggen van de boete op 29 mei 2013 haar financiële positie dusdanig was dat zij de boete destijds niet kon dragen. Pas in hoger beroep heeft appellante haar jaarverslag over het jaar 2013 overgelegd, waarin haar eigen vermogen is vastgesteld op € 220.778 negatief. Die vaststelling is substantieel gestoeld op een afwaardering van een vordering van appellante op [naam 2] van € 276.113 tot € 1. AFM heeft die afwaardering voldoende in twijfel getrokken aan de hand van bijschrijvingen op een Belgische bankrekening van [naam 2] in de periode mei 2013 tot maart 2015 van bijna € 200.000 die, naar blijkt uit de omschrijvingen van die transacties, als salaris of opbrengsten uit werkzaamheden van [naam 2] kunnen worden aangemerkt. Nu die afwaardering bepalend is voor het vaststellen van het eigen vermogen van appellante destijds, was het aan appellante om te onderbouwen dat genoemd jaarverslag in zoverre wel een betrouwbaar en volledig inzicht biedt in haar financiële positie. Appellante heeft echter slechts gesteld en niet onderbouwd dat de stortingen op de bankrekening van [naam 2] (grotendeels) leningen betreffen. Dat [naam 2] in het kader van een verzoek om kwijtschelding van zijn belastingschulden bij de Belastingdienst de hiervoor besproken bankrekening heeft opgegeven, doet er niet aan af dat de Belastingdienst vervolgens (aan [naam 2] ) heeft laten weten de aangifte vennootschapsbelasting van appellante over 2013 wat betreft de afwaardering van haar vorderingen over dat jaar niet te volgen. Het moet ervoor worden gehouden dat appellante geen betrouwbaar en volledig inzicht heeft geboden in haar financiële situatie, zodat een gefundeerd oordeel of appellante de boete thans kan dragen niet mogelijk is. De stukken over de actuele financiële situatie van appellante sluiten niet uit dat zij op het moment van opleggen de boete kon dragen en appellante vanaf dat moment rekening kon houden met de betaling van de boete. De overige grieven die appellante in verband met haar draagkracht naar voren heeft gebracht stuiten reeds op het voorgaande af, terwijl de beleidsregels inzake boeteoplegging bij kartelvorming voor deze zaak geen betekenis kunnen hebben.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d91f44f1bba9553accf915575c6e7cb233f6c4f697db15fa0bed993d7cab4894. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d91f44f1bba9553accf915575c6e7cb233f6c4f697db15fa0bed993d7cab4894, en de alinea staat in dat document op bytes 31604 tot 33911.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d91f44f1bba9553accf915575c6e7cb233f6c4f697db15fa0bed993d7cab4894 | shasum -a 256