Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 1 december 2016

Onder 6.4 College van Beroep voor het bedrijfsleven 1 december 2016

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 1 december 2016, ECLI:NL:CBB:2016:352.

In het incidenteel hoger beroep stelt DNB dat de rechtbank ten onrechte als boeteverlagende omstandigheid heeft meegewogen dat niet is gebleken dat sprake is van apert kwade wil aan de zijde van [naam 2] en [naam 3] . Voorts voert DNB aan dat de rechtbank met de overweging dat DNB onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat de overtreding in korte tijd ongedaan is gemaakt en dat [naam 2] en [naam 3] zich daartoe hebben ingespannen, miskent dat DNB de beëindiging van de overtreding heeft meegewogen in de matiging van het basisbedrag op grond van evenredigheid en overigens niet valt in te zien waarom de inspanningen die hebben geleid tot beëindiging van de overtreding als afzonderlijke grond in het kader van de evenredigheidstoetsing zouden moeten worden meegewogen. Tenslotte stelt DNB dat de rechtbank ten onrechte de beweerdelijke diffamerende werking van de procedure over de boeteoplegging als een relevante omstandigheid heeft aangemerkt bij het bepalen van de hoogte van de boete.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8f09b65f10e164898219d76fd0dac9f60b20b27868466ffddb06899e35ef3ee3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8f09b65f10e164898219d76fd0dac9f60b20b27868466ffddb06899e35ef3ee3, en de alinea staat in dat document op bytes 33639 tot 34667.