Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 25 februari 2016

Onder 7.2 College van Beroep voor het bedrijfsleven 25 februari 2016

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 25 februari 2016, ECLI:NL:CBB:2016:36.

Naar de mening van Vestia is dit oordeel om verschillende redenen onjuist. Ten eerste heeft Vestia er wel degelijk belang bij dat alle klachtonderdelen worden beoordeeld, al dan niet na vergaand onderzoek. Daaraan doet niet af dat de klacht al gegrond is. Het belang van Vestia gaat verder dan het gegrond bevinden van de klacht en is gelegen in een oordeel over de in dit verband door Vestia gestelde feiten en de daarop gebaseerde stelling – kort gezegd – dat de in de jaarrekening opgenomen derivaten en de daaraan verbonden resultaten en risico’s onjuist en in strijd met de regelgeving zijn verwerkt en toegelicht alsmede in een toereikende motivering van het oordeel daarover. In het onderhavige geval ontbreekt een motivering die aansluit op hetgeen Vestia aan de klacht ten grondslag heeft gelegd. Ten tweede meent Vestia dat de accountantskamer ten onrechte veronderstelt dat vergaand onderzoek nodig is om de vraag te kunnen beantwoorden of de in de jaarrekening 2010 opgenomen derivaten en de daaraan verbonden resultaten en risico’s onjuist en in strijd met de regelgeving zijn verwerkt en toegelicht. Deze vraag is immers al door KPMG zelf onderzocht. De twee brieven van KPMG dienaangaande zijn onder de vaststaande feiten genoemd, maar de accountantskamer laat na de inhoud ervan in de gronden van de bestreden uitspraak te betrekken. Ten derde is het oordeel van de accountantskamer dat een vergaand onderzoek nodig zou zijn niet te rijmen met de beslissing van de accountantskamer op de door Vestia tegen [naam 2] ingediende klacht. In die zaak heeft de accountantskamer wél onderzocht of ( [naam 2] van opvatting mocht zijn dat) de keuze voor verwerking van derivaten onder toepassing van kostprijshedge-accounting en de toelichting daarop (voor zover deze zag op het liquiditeitsrisico) aanvaardbaar was. Ten vierde gaat de accountantskamer er volgens Vestia aan voorbij dat het door haar bedoelde vergaande onderzoek alleen ziet op klachtonderdeel III. De veronderstelde noodzaak tot vergaand onderzoek kan dus geen reden zijn om klachtonderdeel I niet-ontvankelijk te verklaren, voor zover (het aan) dit verwijt (ten grondslag gelegde) verder gaat dan de feiten die hebben geleid tot het oordeel van de accountantskamer op de door AFM ingediende klacht. Ten vijfde stelt Vestia dat de beslissing op de klacht van AFM duidelijk maakt dat een belangrijke pijler onder klachtonderdeel I van Vestia in die zaak geen rol van betekenis speelde. Het oordeel van de accountantskamer in die zaak gaat niet in op de – ook vanuit een controleoogpunt – belangrijke vraag in hoeverre [naam 1] heeft onderzocht of Vestia’s derivaten administratie (SG en het spreadsheet van [naam 3] ) geschikt was om (a) haar derivatenportefeuille adequaat te registreren en waarderen, (b) belangrijke risico’s (waaronder het liquiditeitsrisico) te monitoren en (c) de voor kostprijshedge-accounting relevante gegevens vast te stellen. Het door Vestia gemaakte verwijt ziet juist op deze vraag en op de door Vestia in dit kader gestelde – (ook) met het oog op [naam 1's] controlewerkzaamheden relevante – ernstige tekortkomingen in de derivatenadministratie. Een en ander had volgens Vestia door de accountantskamer moeten worden beoordeeld en haar klacht is in zoverre wel ontvankelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f8bc029462243cff5c8f0963c5b42ecf2ec22edfa3d4b1073673cb76883d48f7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f8bc029462243cff5c8f0963c5b42ecf2ec22edfa3d4b1073673cb76883d48f7, en de alinea staat in dat document op bytes 48158 tot 51470.