Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 24 november 2016
Onder 5.6 College van Beroep voor het bedrijfsleven 24 november 2016
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 24 november 2016, ECLI:NL:CBB:2016:454.
Ten aanzien van de feitelijke beschikkingsmacht overweegt het College het volgende. Appellant heeft een grondgebruiksverklaring overgelegd en een overeenkomst gebruik land. Uit bij het afdoeningsrapport van de AID gevoegde stukken (bijlage bij artikel 4 van de grondgebruikverklaring en bankafschrift, respectievelijk bijlagen 8 en 11) blijkt dat appellant € 425,- per hectare heeft betaald aan de gebruikgever. Daarnaast blijkt daaruit dat voor het snoeien van bomen deels werd betaald door middel van de opbrengst van het uit de bospercelen verkregen haardhout. Uit het dossier blijkt dat, op grond van de overeenkomst gebruik land, het gebruik van de percelen bestond uit het gemeenschappelijk met alle grondgebruikers door een loonbedrijf laten uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden, zijnde het maaien of klepelen van de schouwpaden, het schoonmaken van de sloten en snoei- en uitdunningswerk. In de overeenkomst gebruik land is daarnaast overeengekomen dat het weiden van dieren op percelen voor eigen risico is. Tot slot is in de overeenkomst bepaald dat kosten die betrekking hebben op het rooien van percelen bos in opdracht van de eigenaar en in overleg met de gebruikers voor rekening zijn van de eigenaar. Daarbij gold dat afwijken van deze voorwaarden alleen kon met toestemming van de gebruikgever. In de grondgebruiksverklaring is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen onder 1.7 van haar uitspraak, feitelijk niet meer overeengekomen dan dat appellant de percelen mocht opgeven bij de Gecombineerde Opgave. De bepaling dat de grondgebruiker te allen tijde verantwoordelijk is voor de opgegeven percelen is niet gespecificeerd en heeft dan ook geen zelfstandige betekenis. Het College is, beide overeenkomsten in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat appellant met deze afspraken niet de feitelijke beschikkingsmacht had over de percelen. De beschikkingsmacht, voor zover daarvan al sprake is nu voor afwijkende opdrachten aan de loonwerker toestemming van de gebruikgever vereist was, strekte zich immers uitsluitend uit tot onderhoudswerkzaamheden. Appellant heeft met de overeenkomsten zonder meer niet de feitelijke beschikkingsmacht gekregen over het rooien, vellen of kappen van de bomen en evenmin over de teelt of de bemesting. Of er al dan niet bomen zijn gerooid of gekapt in het desbetreffende jaar is, anders dan appellant kennelijk meent, voor de vraag wie de feitelijke beschikkingsmacht had niet relevant. Dat brengt het College tot de conclusie dat niet voldaan is aan het vereiste dat er sprake was van een civielrechtelijke titel die de betrokken grondgebruiker de feitelijke macht over de teelt en de bemesting van de grond geeft.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fdb7c5ab6ead4ced7bbb0075ef8f1e9ce3700024bdaa0e69a12789ace864ea41. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fdb7c5ab6ead4ced7bbb0075ef8f1e9ce3700024bdaa0e69a12789ace864ea41, en de alinea staat in dat document op bytes 25341 tot 28041.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fdb7c5ab6ead4ced7bbb0075ef8f1e9ce3700024bdaa0e69a12789ace864ea41 | shasum -a 256