Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 24 november 2016

Onder 5.11 College van Beroep voor het bedrijfsleven 24 november 2016

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 24 november 2016, ECLI:NL:CBB:2016:454.

Volgens vaste jurisprudentie onderzoekt de bestuursrechter ambtshalve of in een zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is verstreken na afloop van de termijn van zes weken voor het doen van uitspraak (zie de uitspraak van het College van 15 juli 2016, ECLI:NL:CBB:2016:211). Het College stelt vast dat dit in de onderhavige zaak aan de orde is en overweegt in dat verband het volgende. In punitieve zaken geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat deze termijn een aanvang neemt vanaf het moment waarop een handeling is verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd, in dit geval 1 maart 2012, de datum waarop het voornemen tot boeteoplegging aan appellant is meegedeeld. Gelet op het feit dat de totale procedure ten tijde van de einduitspraak de termijn van vier jaar heeft overschreden met zes maanden en drie weken, wordt de vast te stellen boete om die reden verder gematigd. Ten aanzien van de toepasselijke compensatie overweegt het College als volgt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fdb7c5ab6ead4ced7bbb0075ef8f1e9ce3700024bdaa0e69a12789ace864ea41. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fdb7c5ab6ead4ced7bbb0075ef8f1e9ce3700024bdaa0e69a12789ace864ea41, en de alinea staat in dat document op bytes 37488 tot 38729.