Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 23 maart 2016

Onder 7.9 College van Beroep voor het bedrijfsleven 23 maart 2016

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 23 maart 2016, ECLI:NL:CBB:2016:67.

Het College stelt vast dat de erkenning van onrechtmatigheid door verweerders alleen betrekking heeft op het eerste en tweede dwangsombesluit, welke erkenning pas is gedaan nadat het College deze besluiten wegens onrechtmatigheid had herroepen. Ten aanzien van deze besluiten heeft de erkenning dus geen toegevoegde waarde, waarbij het College opmerkt dat een ontkenning van de onrechtmatigheid in het licht van het oordeel van het College evenmin betekenis zou zijn toegekomen. Er is geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerders ten aanzien van het derde dwangsombesluit onrechtmatigheid zouden hebben erkend, integendeel, zij hebben zich uitdrukkelijk beroepen op de formele rechtskracht en daarmee de rechtmatigheid van dit besluit. De opvatting van appellante dat de erkenning van de onrechtmatigheid van de drie dwangsombesluiten niet-deelbaar is, vindt geen steun in het recht, nu het om drie zelfstandige besluiten gaat. Voor zover appellante stelt dat verweerders bij besluit van 4 februari 2014 de bij het derde dwangsombesluit opgelegde last op verzoek van appellante hebben opgeheven en daarmee impliciet de onrechtmatigheid van het derde dwangsombesluit hebben erkend, kan dat betoog niet slagen. Met dit opheffingsbesluit op grond van artikel 5:34, tweede lid, van de Awb, hebben verweerders op geen enkele wijze erkend dat het derde dwangsombesluit onrechtmatig is, te minder nu deze opheffing geen terugwerkende kracht toekomt. Het College verwijst hierover naar de uitspraak van heden, nummer 14/564. Voor zover appellante nog heeft gesteld dat sprake is geweest van dwaling bij verweerders bij het nemen van het derde dwangsombesluit, omdat verweerders ten onrechte meenden dat zij de ontheffing van appellante rechtsgeldig hadden ingetrokken en daarmee een grondslag hadden voor het dwangsombesluit, lost deze stelling zich op in hetgeen onder 7.8 is overwogen. Voor zover appellante zich beroept op bedrog, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij heeft nagelaten rechtsmiddelen in te stellen tegen het derde dwangsombesluit als gevolg van handelingen van verweerders die als zodanig kunnen worden gekwalificeerd, zodat ook daarin geen grond kan zijn gelegen de formele rechtskracht terzijde te stellen. 7.10 Uit de vorenstaande overwegingen volgt dat drie van de door appellante aan haar verzoek ten grondslag gelegde besluiten als onrechtmatig hebben te gelden, namelijk het eerste dwangsombesluit, het tweede dwangsombesluit en de beslissing op bezwaar van 21 maart 2012, waarbij deze twee dwangsombesluiten zijn gehandhaafd. Verweerders hebben niet betwist dat zij aansprakelijk zijn voor eventuele door deze besluiten veroorzaakte schade.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f4f8a97b052e26be090b4fa939f13c8572335e5847220a1c5f525f1a9f8ec80a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f4f8a97b052e26be090b4fa939f13c8572335e5847220a1c5f525f1a9f8ec80a, en de alinea staat in dat document op bytes 18186 tot 20903.