Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 11 januari 2017
Onder 6 College van Beroep voor het bedrijfsleven 11 januari 2017
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 11 januari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:1.
6.2.7 Gelet op het voorgaande dient [Onderneming B] bij de aanbestedingen in Zuidoost Friesland te worden beschouwd als één van een beperkt aantal gerede concurrenten van appellante. Door informatie over het inschrijf- en prijsbeleid uit te wisselen (althans: gegevens waaruit dat beleid kon worden afgeleid), en hierop volgend eenzelfde tarief te offreren, hebben appellante en [Onderneming B] hun onderlinge positie bij de aanbestedingen beïnvloed. Door de afstemming is de concurrentiedruk uitgeschakeld die [Onderneming B] op appellante uitoefende, aangezien appellante – gelet op het voordeel dat zij als zittende aanbieder had op het punt van de kwalitatieve gunningscriteria – kon inschatten dat zij [Onderneming B] bij toepassing van gelijke tarieven in de rangorde zou voorblijven. Dat appellante ook rekening moest houden met andere gerede concurrenten, doet hier niet aan af, aangezien voor een mededingingsbeperkende strekking niet is vereist dat de mededinging volledig wordt uitgesloten. In aanmerking nemende de positie van [Onderneming B] als nabije concurrent van appellante, en rekening houdend met de omstandigheid dat iedere aanbesteding meerdere winnaars kende, is naar het oordeel van het College sprake van een onderlinge afstemming die de mededinging in die mate nadelig beïnvloedt dat zij kan worden geacht een mededingingsbeperkende strekking te hebben. Bij dit oordeel houdt het College voorts rekening met de door ACM uitgevoerde analyse van de uitkomsten van de verschillende aanbestedingen, waaruit blijkt dat, ook als de gedraging slechts een geringe aanpassing (2,5%) van de geboden prijs zou hebben veroorzaakt, de uitkomsten van een aantal aanbestedingen daadwerkelijk anders hadden kunnen zijn. Dat een lagere prijs gepaard zou zijn gegaan met een lagere kwaliteit, zoals appellante betoogt, volgt het College niet. ACM betoogt terecht dat een prijsopdrijvend effect ten gevolge van een afstemming in de regel juist niet gepaard gaat met een navenante kwaliteitsstijging. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan dan ook niet worden volgehouden dat in de rede ligt dat een lagere prijsstelling (ten opzichte van de prijs die resulteerde na afstemming) gepaard zou zijn gegaan met een kwaliteitsdaling.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f74031822580b5a78ebf6cf5a66a780fd7cb8abb6190a2651887a333b8a9e919. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f74031822580b5a78ebf6cf5a66a780fd7cb8abb6190a2651887a333b8a9e919, en de alinea staat in dat document op bytes 84492 tot 86756.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f74031822580b5a78ebf6cf5a66a780fd7cb8abb6190a2651887a333b8a9e919 | shasum -a 256