Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 20 juli 2017
Onder 6.2 College van Beroep voor het bedrijfsleven 20 juli 2017
Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 20 juli 2017, ECLI:NL:CBB:2017:274.
Het College is van oordeel dat de in artikel 3:10, eerste lid, van de Wft neergelegde norm om een adequaat beleid te voeren dat een integere uitoefening van het bedrijf waarborgt, mede gelet op de nadere uitwerking en invulling van die norm in onder meer artikel 10 van het Bpr en de daarbij gegeven toelichting in de Nota van Toelichting bij het Bpr (Stb. 519, 2006), voldoende duidelijk, bepaald en kenbaar is. De door appellante aangevoerde omstandigheid dat DNB ten tijde van belang onvoldoende guidance zou hebben gegeven met betrekking tot de wijze waarop financiële ondernemingen concreet invulling dienen te geven aan hun uit artikel 3:10, eerste lid, van de Wft en artikel 10 van het Bpr voortvloeiende verplichting, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het College overweegt daartoe dat een beheerste en integere bedrijfsuitoefening primair de eigen verantwoordelijkheid betreft van de financiële onderneming en in het belang is van die onderneming zelf. Daarmee wordt per definitie van een financiële onderneming gevergd dat zij de eigen organisatie op continue basis doorlicht om te inventariseren welke integriteitsrisico’s zich voordoen en daarop beleid te formuleren en dat beleid zo nodig aan te passen om de integere uitoefening van het bedrijf blijvend te waarborgen. Appellante had aldus, ook bij afwezigheid van een nadere specifieke invulling van de normen door DNB, kunnen en moeten begrijpen dat zij op continue basis de voor haar relevante risico’s in kaart dient te brengen om op basis daarvan een adequaat beleid te kunnen voeren dat ertoe strekt de verwezenlijking van die onderkende risico’s tot een minimum te beperken. De stelling van appellante dat uit een themaonderzoek van DNB uit 2015 is gebleken dat 80 % van de onderzochte financiële ondernemingen de norm niet inkleedt op de wijze die DNB graag ziet, kan haar evenmin baten. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, biedt deze stelling naar het oordeel van het College onvoldoende basis voor de conclusie dat de in artikel 3:10, eerste lid, van de Wft neergelegde norm ten tijde van belang onvoldoende duidelijk, bepaald en kenbaar was. Grieven I en V treffen geen doel.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a10e7739fad8c8f3ee4b5548ced74e59678005c7226903a1a360445e63ce42c0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a10e7739fad8c8f3ee4b5548ced74e59678005c7226903a1a360445e63ce42c0, en de alinea staat in dat document op bytes 16100 tot 18285.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a10e7739fad8c8f3ee4b5548ced74e59678005c7226903a1a360445e63ce42c0 | shasum -a 256