Citaat | College van Beroep voor het bedrijfsleven 26 oktober 2017

Onder 7.2.2 College van Beroep voor het bedrijfsleven 26 oktober 2017

Een alinea uit College van Beroep voor het bedrijfsleven 26 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:343.

Uit het onder 1.2.1 tot en met 1.2.3 overwogene blijkt dat het afdoeningsrapport voortbouwt op een rapport van bevindingen dat op zijn beurt berust op twee analyseverslagen. De inhoud van die bescheiden, in onderling verband beschouwd, doet zien dat al vóór het verhoor van appellant op 30 september 2010 verschillende personen, hoewel zij wel als afnemers van mest in aan de uitvoerende dienst van de staatssecretaris verstrekte informatie waren vermeld, hadden verklaard door toedoen van appellant analyse-uitslagen van mest te hebben ontvangen maar geen mest te hebben afgenomen. Gelet op hetgeen de toezichthouder al bekend was uit de analyseverslagen van 4 mei 2010 en 18 augustus 2010 en uit de onder 1.2 geciteerde verklaringen van [naam 2] en [naam 3] van 24 juni 2010, moet in een situatie als de onderhavige, die mede wordt gekenmerkt door de verwevenheid van het bepaalde in de artikelen 7 en 8 van de Msw en de daarin vervatte constructie van het beboetbare feit enerzijds, en de verantwoordingsplicht als vervat in artikel 14 van de Msw anderzijds, worden aangenomen dat de toezichthouder op 30 september 2010, mede gelet op de omstandigheid dat een herstelsanctie toen uitgesloten moest worden geacht, het terrein van het houden van toezicht verliet en overging tot het afnemen van een verhoor met het oog op de oplegging van een bestuurlijke boete wegens overtreding van het bepaalde in artikel 7, in samenhang met artikel 8, of artikel 14 van de Msw. Alvorens aan appellant op 30 september 2010 de vraag werd gesteld of de vorengenoemde personen ook daadwerkelijk dierlijke mest van of via hem hadden ontvangen en waar de mest uit de diverse containerbakken dan was gebleven, had hem met het oog op het in artikel 6 van het EVRM en in de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie besloten liggende vereiste van een “fair hearing” en de daaruit voortvloeiende bescherming tegen gedwongen “self-incrimination” dan ook de cautie moeten zijn gegeven. Het College is op grond van het vorenoverwogene, anders dan de rechtbank, van oordeel dat bij het verhoor van appellant op 30 september 2010 sprake is geweest van een schending van het bepaalde in artikel 5:10a, tweede lid, van de Awb. Het College zal daarom de door appellant op 30 september 2010 afgelegde verklaringen, zoals opgenomen in het afdoeningsrapport, buiten beschouwing laten bij de beoordeling of appellant de hem verweten overtreding heeft begaan. Naar uit het navolgende zal blijken, kan door het buiten beschouwing laten van de verklaringen die appellant op 30 september 2010 heeft afgelegd in ieder geval de omvang van de overtreding niet bewezen worden geacht. Het door appellant op dit punt tegen de aangevallen uitspraak ontwikkelde betoog slaagt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b9b277adbfb185673b6a71db415769e7563570901e71dea00ccaec4850e9276a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b9b277adbfb185673b6a71db415769e7563570901e71dea00ccaec4850e9276a, en de alinea staat in dat document op bytes 64954 tot 67743.